ECLI:NL:CRVB:2005:AT7512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beschikbaarheid voor arbeid en arbeidsongeschiktheid bij weigering WAO- en WW-uitkering
Appellante, werkzaam als kamermeisje, meldde zich op 3 november 1998 ziek en hervatte haar werkzaamheden gedeeltelijk. Vanaf 13 maart 2000 was zij volledig arbeidsongeschikt wegens zwangerschapsklachten. Medische rapporten concludeerden dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg en dat zij geschikt was voor passende functies.
Gedaagde weigerde een WAO-uitkering per 1 november 1999 en een WW-uitkering wegens het ontbreken van werkloosheid. Appellante stelde in hoger beroep dat het medische onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zij niet in staat was de voorgestelde functies te vervullen. Ook voerde zij aan wel beschikbaar te zijn voor arbeid.
De Raad oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat. De voorgestelde functies gingen de belastbaarheid niet te boven. Tevens was appellante niet werkloos in de zin van de WW omdat haar werkgever het salaris bleef doorbetalen, waardoor zij niet aan het vereiste verlies van loon voldeed. De Raad bevestigde daarom de bestreden besluiten en wees het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO- en WW-uitkering en verklaart het beroep ongegrond.