ECLI:NL:CRVB:2005:AT7669

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4584 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 6:11 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenAlgemene Ouderdomswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen weigering AOW-uitkering wegens niet-verzekerd zijn

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 mei 2000 waarin hem een AOW-uitkering werd geweigerd omdat hij niet verzekerd was geweest. Dit besluit was vertaald in het Frans en via de CNSS aan appellant toegezonden. Appellant stelde dat hij het besluit niet had ontvangen, maar verweerder kon aannemelijk maken dat het besluit tijdig was toegezonden.

Het bezwaarschrift van appellant werd ingediend op 6 maart 2002, maar de Raad concludeerde dat dit niet tijdig was omdat het besluit al in juli 2000 was verzonden en een kopie daarvan in juni 2001. De rechtbank had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.

De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ook werd vastgesteld dat verweerder niet verplicht was nader onderzoek te doen naar de ontvangstdatum van het besluit door appellant. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering van de AOW-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening.

Uitspraak

03/4584 AOW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2003, nummer 03/206 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Appellant heeft de Raad nog diverse brieven doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 mei 2004, waarbij met name de ontvankelijkheid van appellants beroep aan de orde is geweest. Appellant is daar niet verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Na deze behandeling heeft de Raad het onderzoek heropend.
Appellant heeft de Raad op 12 mei 2004 nog een nader schrijven doen toekomen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 29 april 2005, waar partijen – gedaagde met voorafgaand bericht – niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 26 mei 2000 heeft gedaagde appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) geweigerd omdat appellant niet verzekerd is geweest ingevolge deze wet. Dit besluit en een Franse vertaling daarvan zijn op 29 mei 2000 aan de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) toegezonden, die op 6 juli 2000 heeft laten weten het besluit naar appellant te hebben doorgezonden.
Bij brief van 7 juni 2001 heeft appellant gedaagde bericht geen besluit te hebben ontvangen. Blijkens een aantekening op dit schrijven heeft gedaagde appellant op 3 juli 2001 een afschrift van het besluit van 26 mei 2000 toegezonden.
Bij brief van 6 maart 2002, door gedaagde ontvangen op 13 maart 2002 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 mei 2000. Bij het bestreden besluit van 27 november 2002 heeft gedaagde dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij appellant wordt aangeduid als eiser en gedaagde als verweerder.
“Eiser heeft in antwoord op een brief van verweerder waarin om een verklaring voor de door verweerder geconstateerde termijnoverschrijding werd gevraagd, bij brief van 1 november 2002 medegedeeld dat hij nooit een brief van de CNSS heeft ontvangen. In beroep heeft hij deze stelling herhaald. Uit zijn bezwaarschrift van 6 maart 2002 blijkt evenwel dat eiser het primaire besluit op enig moment moet hebben ontvangen, nu in het bezwaarschrift onder vermelding van het juiste referentienummer wordt verwezen naar het primaire besluit. Geconcludeerd moet dan ook worden dat eiser het primaire besluit ofwel via de CNSS, ofwel door middel van de rechtstreekse toezending door verweerder moet hebben ontvangen.
Verweerder heeft nagelaten om in het kader van de bezwaarschriftprocedure onderzoek te verrichten naar de datum waarop eiser het primaire besluit heeft ontvangen. De rechtbank zal hier echter geen consequenties aan verbinden, nu gelet op de datum van verzending van het primaire besluit door de CNSS ( 6 juli 2000) en de datum van verzending van de kopie door verweerder (omstreeks juni 2001) aannemelijk is dat eiser het primaire besluit heeft ontvangen op een datum die meer dan 6 weken is gelegen voor de datum waarop hij zijn bezwaarschrift heeft ingediend. Aldus concludeert de rechtbank dat eiser het bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend.
Ten aanzien van voormelde niet tijdige indiening heeft eiser geen redenen aangevoerd die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Awb Pro.”
De Raad kan zich geheel in deze overwegingen van de rechtbank vinden en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niets naar voren gebracht dat een ander licht op de zaak kan werpen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.