ECLI:NL:CRVB:2005:AT7928

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2873 TW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 TWArt. 3 TWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging recht op toeslag op grond van Toeslagenwet vanaf geboortedatum kind

Appellant had bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om hem een toeslag toe te kennen vanaf 18 september 2001, de geboortedatum van zijn kind. Hij stelde dat de toeslag al per 11 juli 1999, de datum waarop hij een WAO-uitkering kreeg, had moeten ingaan omdat zijn uitkering toen onder het sociaal minimum lag.

De rechtbank Rotterdam had het beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat op grond van de artikelen 2 en 3 van de Toeslagenwet appellant pas na de geboorte van zijn kind in aanmerking komt voor de toeslag. In hoger beroep heeft appellant dit standpunt herhaald, maar de Centrale Raad van Beroep onderschrijft de eerdere uitspraak.

De Raad stelt vast dat appellant, geboren in 1971 en gehuwd in 1999, pas recht heeft op de toeslag vanaf 18 september 2001, de geboortedatum van zijn kind. De Raad ziet geen grond om af te wijken van deze wettelijke regeling en bevestigt het bestreden besluit en uitspraak. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toeslag wordt toegekend vanaf de geboortedatum van het kind op 18 september 2001.

Uitspraak

03/2873 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] , wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 april 2003, nr. TW 02/2014, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 april 2005, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 8 februari 2002 heeft gedaagde aan appellant per 18 september 2001 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend ten bedrage van € 14,84 per dag.
In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat de uitkering eerder dan 18 september 2001, namelijk per 11 juli 1999, de datum dat hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, dient in te gaan, omdat die WAO-uitkering onder het sociaal minimum lag.
Bij besluit van 27 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het besluit van 8 februari 2002 gehandhaafd en appellants bezwaren tegen dat besluit ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij aangegeven, onder verwijzing naar de artikelen 2 en 3 van de TW, dat recht op toeslag bestaat voor de gehuwde wiens echtgenoot geboren is na 31 december 1971 en tot wiens huishouden een eigen kind behoort dat jonger is dan 12 jaar. Nu appellants echtgenote geboren is na
31 december 1971 (namelijk op 5 juni 1978) en sinds 18 september 2001 een kind jonger dan 12 jaar tot zijn huishouden behoort, komt appellant eerst sinds laatstgenoemde datum in aanmerking voor het recht op toeslag.
De rechtbank heeft de opvatting van gedaagde onderschreven en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikelen 2 en 3 van de TW, appellant eerst na de geboorte van het eigen kind op 18 september 2001 in aanmerking kan komen voor een toeslag.
Namens appellant is in hoger beroep het standpunt herhaald dat appellant per 11 juli 1999 recht heeft op een uitkering ingevolge de TW.
Met de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat, gelet op de hier aan de orde zijnde wettelijke bepalingen, appellant - die geboren is op 21 mei 1971 en gehuwd is op 18 augustus 1999 - niet eerder dan 18 september 2001, de geboortedatum van zijn kind, in aanmerking kan komen voor een toeslag ingevolge de TW.
Het hoger beroep kan dan ook niet slagen en de aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter, en mr. M.M. van der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.D.A. Bos.