ECLI:NL:CRVB:2005:AT8102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid voor arbeid en recht op WW-uitkering bij betwiste arbeidsongeschiktheid
Appellant werd ontslagen op staande voet na een ziekteperiode en vroeg een WW-uitkering aan die door het UWV werd geweigerd wegens vermeende niet-beschikbaarheid voor werk.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant niet reëel beschikbaar was per 1 april 2001. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat deze maatstaf onjuist is toegepast en dat niet ondubbelzinnig is vastgesteld dat appellant zich niet beschikbaar stelde.
De Raad baseerde zich op werkbriefjes waaruit blijkt dat appellant diverse sollicitaties verrichtte, en op het feit dat de status van zijn ziekmelding onduidelijk was. De Raad vernietigt het besluit en de uitspraak en beveelt een hernieuwde beslissing door het UWV.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.