ECLI:NL:CRVB:2005:AT8133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op loongerelateerde WW-uitkering bij twijfel over arbeidsverleden
Appellant stelde beroep in tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) betreffende de duur van zijn loongerelateerde WW-uitkering. De kern van het geschil betrof de vraag of appellant gedurende het kalenderjaar 1998 minimaal 52 dagen loon heeft ontvangen, wat bepalend is voor de duur van de uitkering.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat het arbeidsverleden wordt berekend op basis van het aantal kalenderjaren waarin minimaal 52 loondagen zijn genoten. Uit de stukken bleek dat appellant pas op 1 november 1998 daadwerkelijk in dienst trad bij zijn werkgever, wat resulteert in 44 loondagen in dat jaar.
De door appellant overgelegde kasboekuittreksels en kwitanties konden niet als onomstotelijk bewijs van salarisbetalingen worden aangemerkt. Ook de tewerkstellingsvergunning voor de periode van oktober 1998 tot mei 1999 bood geen bewijs van daadwerkelijke dienstbetrekking per 21 oktober 1998. De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan de referte-eis en bevestigde het bestreden vonnis. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; appellant voldoet niet aan de referte-eis van minimaal 52 loondagen in 1998.