ECLI:NL:CRVB:2005:AT8134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verwijtbare werkloosheid na niet verschijnen op werk en ontslag
Appellante ontving een WW-uitkering gebaseerd op 32 uur per week en begon op 15 augustus 2002 als administratief medewerkster in tijdelijke dienst. Zij verscheen zonder bericht niet op het werk vanaf 19 augustus 2002 en gaf aan te stoppen vanwege reistijdproblemen. De werkgever ontsloeg haar daarop.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om de WW-uitkering te beëindigen op grond van verwijtbare werkloosheid niet in stand kon blijven vanwege een verkeerde rechtsgrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellante haar passende arbeid niet had behouden.
In hoger beroep richtte appellante zich tegen de toepassing van de maatregel op haar gehele uitkeringsrecht in plaats van alleen het deel dat verband hield met haar werkzaamheden vanaf 15 augustus 2002. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit en bevestigde dat de maatregel op het gehele recht op uitkering van toepassing is.
De Raad concludeerde dat appellante door haar gedrag verwijtbaar werkloos is geworden en dat er sprake was van passende arbeid gezien de reistijd en de bereidheid van de werkgever tot rekening houden met het openbaar vervoer. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden en handhaaft de beëindiging van haar WW-uitkering vanaf 16 augustus 2002.