ECLI:NL:CRVB:2005:AT8197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing WAO-uitkering wegens niet-verrichtte arbeid
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 mei 2002 waarbij zijn aanvraag tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) werd afgewezen. Dit besluit was gebaseerd op de constatering dat appellant niet in overeenstemming met de Wet Arbeid Vreemdelingen arbeid had verricht. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens de procedure gaf het UWV aan het besluit van 11 november 2002, waarin het bezwaar van appellant werd afgewezen, niet langer te handhaven en een nieuwe beslissing te zullen nemen op de WAO-aanvraag. Hierdoor was het belang van appellant bij het hoger beroep komen te vervallen. De Centrale Raad van Beroep verklaarde daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant, bestaande uit kosten voor rechtsbijstand en reiskosten, en bepaalde dat het griffierecht aan appellant werd vergoed. De uitspraak werd gedaan door mr. G. van der Wiel namens de Raad op 17 juni 2005.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het belang van appellant is komen te vervallen.