ECLI:NL:CRVB:2005:AT8310
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld en vaststelling arbeidsongeschiktheid
Appellant meldde zich ziek met nek- en rechterschouderklachten en ontving aanvankelijk ziekengeld. Na medisch onderzoek door verzekeringsarts Donker is vastgesteld dat appellant medisch gezien niet meer beperkt is dan bij eerdere beoordelingen, waarna hij per 15 april 2002 hersteld werd verklaard en het recht op ziekengeld werd beëindigd.
De arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant geschikt bleef voor bepaalde functies met een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, later bij bezwaar verhoogd tot 25 tot 35%. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep betwist appellant dat de medische beoordeling in het kader van de Ziektewet correct heeft plaatsgevonden, met name over de communicatie tijdens het spreekuur van 4 april 2002. De Raad oordeelt dat er voldoende medische gegevens zijn die het oordeel van de verzekeringsarts ondersteunen en dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij niet langer ziek was.
De Raad vindt geen reden om de bestreden besluiten te vernietigen en sluit zich aan bij de eerdere beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. De aangevallen uitspraken worden bevestigd en er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellant niet langer wegens ziekte ongeschikt is voor arbeid en het recht op ziekengeld is beëindigd.