ECLI:NL:CRVB:2005:AT8319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen
Appellant kreeg een korting van 20% op zijn WW-uitkering voor de periode van 16 weken omdat hij onvoldoende had geprobeerd passende arbeid te verkrijgen in de periode van 3 tot 16 juni 2002. De rechtbank Groningen had het bezwaar van appellant tegen deze maatregel ongegrond verklaard, en ook in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij door financiële of medische omstandigheden niet in staat was te solliciteren. Hoewel appellant stelde dat de opgelegde maatregel niet in verhouding stond tot de korte overtredingsperiode en dat zijn persoonlijke omstandigheden matiging rechtvaardigden, vond de Raad geen aanleiding om de maatregel te verminderen.
De Raad sloot zich aan bij de uitgebreide motivering van de rechtbank dat appellant had geweten wat er van hem werd verwacht na de vrijstellingsperiodes en dat zijn stellingen over verrichte inspanningen niet bewezen konden worden. De Raad concludeerde dat de maatregel niet in strijd was met geschreven of ongeschreven recht en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting van 20% op de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen.