ECLI:NL:CRVB:2005:AT8347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen WW-uitkering niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding
Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarbij zij per 19 september 2001 een WW-uitkering werd toegekend. Dit bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend zonder geldige reden of bijzondere omstandigheden.
In hoger beroep stelt appellante dat zij door het UWV is misleid en daardoor niet tijdig bezwaar kon maken. De Raad wijst dit af en benadrukt dat het besluit van 13 december 2001 duidelijk was over haar rechten en de termijn voor bezwaar. Ook erkent appellante zelf dat zij geen bezwaar heeft tegen de toekenning van de uitkering, maar tegen de beëindiging van haar dienstbetrekking.
De Raad concludeert dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, mede omdat appellante niet emotioneel belemmerd was haar belangen te behartigen. De eerdere uitspraak van de rechtbank Haarlem wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaarschrift van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.