ECLI:NL:CRVB:2005:AT8455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1985 een bijstandsuitkering die in 1996 werd omgezet naar de Algemene bijstandswet (Abw). Naar aanleiding van een vermoeden van samenwonen met haar partner startte de sociale recherche een onderzoek. Uit het rapport van 14 december 2000 concludeerde de gemeente dat appellante vanaf 1 januari 1994 tot 1 december 2000 een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden.
De gemeente beëindigde de bijstand per 1 december 2000 en trok de uitkering vanaf 1 januari 1994 in, met terugvordering van ruim € 73.000. De Centrale Raad oordeelt dat er onvoldoende bewijs is voor een gezamenlijke huishouding voor de periode 1 januari 1996 tot 1 juli 1998, maar wel vanaf 1 juli 1998. De verklaringen van appellante en haar partner, ondersteund door verbruiksgegevens, bevestigen dit.
De Raad vernietigt daarom het besluit tot intrekking en terugvordering over de periode 1 januari 1996 tot 1 juli 1998 en bevestigt de intrekking vanaf 1 juli 1998 tot 30 november 2000. De beëindiging van de bijstand per 1 december 2000 blijft gehandhaafd. Tevens veroordeelt de Raad de gemeente in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd voor 1 januari 1996 tot 1 juli 1998 en bevestigd vanaf 1 juli 1998; de beëindiging per 1 december 2000 blijft gehandhaafd.