ECLI:NL:CRVB:2005:AT8477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C.P.M. van de Kerkhof
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetenota’s wegens onjuiste loonopgave en matiging boetes in faillissementszaak
Appellante, een onderneming actief in staalconstructiewerken, werd failliet verklaard in 1996. In het kader van het faillissement stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (gedaagde) vast dat appellante netto all-in loonafspraken had gemaakt met werknemers, waarbij een deel van het loon ten onrechte als kostenvergoeding werd aangemerkt en niet als loon verantwoord.
Gedaagde legde premies en boetes op wegens onjuiste loonopgave en fraude over de jaren 1994 tot en met 1996. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt vast dat gedaagde niet alleen onderzoek bij de VOF heeft gebruikt, maar ook eigen onderzoek heeft verricht, en dat de boetes als strafrechtelijke sancties een redelijke termijn vereisen.
De Raad concludeert dat de redelijke termijn voor de boetes is overschreden en matigt deze met 10%. Hierdoor vernietigt de Raad het bestreden besluit voor de boeten over 1995 en 1996 en stelt deze vast op een lager bedrag. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De boeten over 1995 en 1996 worden vernietigd en met 10% gematigd tot € 82.314,28, met vergoeding van proceskosten en griffierecht.