ECLI:NL:CRVB:2005:AT8567
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke WUV-uitkering op grond van arbeid in WSW-verband
Eiser, geboren in 1943 en vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV), had aanvankelijk een voorziening voor extra huishoudelijke hulp toegekend gekregen vanwege psychosomatische rugklachten. Een periodieke uitkering werd geweigerd omdat de klachten hem niet belemmerden in zijn beroepsmatig functioneren. In 2003 diende eiser een hernieuwde aanvraag in, waarna verweerster een periodieke uitkering toekende op het wettelijke minimum. Eiser maakte bezwaar tegen de hoogte van de grondslag, die was vastgesteld op basis van zijn inkomen als boekhouder in WSW-verband.
Eiser stelde dat de grondslag niet op zijn WSW-arbeid, maar op het voorgaande werk bij Pardo BV had moeten worden gebaseerd, omdat WSW-arbeid een sociale voorziening is en het inkomen daarmee gelijkgesteld moet worden aan een arbeidsinkomenvervangende uitkering. De Raad oordeelde echter dat arbeid in WSW-verband, ondanks aangepaste omstandigheden, als het uitoefenen van een beroep in de zin van artikel 8 van Pro de Wet moet worden beschouwd.
De Raad vond dat de aanvaarding van de WSW-dienstbetrekking niet samenhing met beperkingen door vervolging en dat eiser deze dienstbetrekking na een periode van werkloosheid heeft vervuld. Daarom was de vaststelling van de grondslag op het inkomen uit WSW-arbeid terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van de grondslag voor de WUV-uitkering op basis van arbeid in WSW-verband wordt ongegrond verklaard.