ECLI:NL:CRVB:2012:BY0307

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1385 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 WuvWet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening grondslag berekening periodieke uitkering Wuv

Appellant, erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht meerdere malen om herziening van de grondslag voor de berekening van zijn periodieke uitkering. Hij stelde dat de grondslag onjuist was omdat hij al in 1981 invalide was geraakt door psychische klachten als gevolg van vervolging, en dat daarom het peiljaar eerder had moeten liggen dan het laatstelijk door hem uitgeoefende beroep in WSW-verband.

De Raad overwoog dat de ingebrachte documenten en verklaringen niet als nieuwe feiten konden worden aangemerkt, omdat deze al bij eerdere procedures overlegd hadden kunnen worden. Het rapport van psychiater Hoek uit 2009 was een herinterpretatie van de situatie in 1995 en gaf geen nieuwe inzichten over de periode 1981-1983. Verder was het verlies van werk in 1981 niet gerelateerd aan de vervolging, en het niet doorverwijzen door het Joods Maatschappelijk Werk werd niet als fout van verweerder gezien.

De Raad concludeerde dat geen aanleiding bestond om de eerdere besluitvorming te herzien en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek tot herziening van de grondslag voor de uitkeringsberekening wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Gerectificeerde uitspraak 11/1385 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak 4 oktober 2012.
PROCESVERLOOP
In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.
Namens appellant heeft mr. A. Bierenbroodspot, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 januari 2011, kenmerk BZ01209479 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2012. Appellant is daar verschenen, bijgestaan door mr. Bierenbroodspot en G.J. de Geus (doventolk). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. In dit geding zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1. Appellant, geboren in 1943, is in 1996, naar aanleiding van een in augustus 1994 ingediende aanvraag, door verweerder vanwege onderduik als joods kind erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Hierbij is aanvaard dat sprake is van psychische klachten en tot die psychische klachten te rekenen psychosomatische rugklachten. Op basis van een rapport van psychiater B. Hoek heeft verweerder op dat moment geoordeeld dat de causale psychische en psychosomatische klachten van appellant niet invaliderend tot uiting kwamen en is aan hem geen periodieke uitkering toegekend. In februari 2003 heeft appellant verzocht om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wuv. Deze aanvraag is gehonoreerd bij besluit van 15 oktober 2003. Daarbij is de grondslag voor de uitkering vastgesteld op het inkomen dat appellant verdiende in het laatstelijk door hem uitgeoefende beroep van boekhouder in WSW-verband.
1.2. Appellant heeft destijds tegen deze toekenningsbeslissing bezwaar en beroep ingesteld omdat hij zich niet kon verenigen met de grondslag waarop de periodieke uitkering was gebaseerd. Zijn bezwaar is door verweerder bij besluit van 23 januari 2004 ongegrond verklaard. De Raad heeft het beroep bij uitspraak van 23 juni 2005 (LJN AT8567) ongegrond verklaard.
1.3. In 2006 heeft appellant een verzoek om herziening ingediend bij verweerder. Appellant stelde daartoe dat ten onrechte als grondslag voor de berekening van de hoogte van die uitkering het laatstelijk door hem uitgeoefende beroep van boekhouder in WSW-verband was gehanteerd, omdat al in 1981, toen hij moest stoppen als boekhouder in het vrije bedrijfsleven, sprake was van invalidering ten gevolge van zijn causale psychische klachten. Appellant was van mening dat daarom als peiljaar voor de grondslag 1981 had moeten worden gehanteerd. Het bezwaar tegen de afwijzing van dit verzoek is bij besluit van 13 december 2007 ongegrond verklaard. Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 19 maart 2009 (LJN BH9356) ongegrond verklaard.
1.4. In januari 2010 heeft appellant verweerder wederom verzocht de besluitvorming betreffende de grondslag voor de berekening van de hoogte van zijn periodieke uitkering te herzien.
1.5. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft appellant een aantal bescheiden overgelegd. Onder meer een in december 2009 door psychiater B. Hoek opgesteld rapport. Hoek stelt in dit rapport, na een huisbezoek aan appellant, dat hij in 1995 de vraag of de causale psychopathologie van appellant hem op dat moment belette om zijn beroep in het vrije bedrijfsleven uit te oefenen, zeker bevestigend zou hebben beantwoord. Voorts zijn in bezwaar brieven, verslagen en getuigenverklaringen overgelegd waaruit blijkt dat appellant in 1981 zijn baan als boekhouder in het vrije bedrijf verloor ten gevolge van een faillissement, dat hij destijds een wat nerveuze indruk maakte en dat hij moeite had met het vinden van een andere baan, totdat hij in 1983 in WSW-verband aan de slag kon.
1.6. Bij besluit van 24 juni 2010, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder het verzoek van appellant afgewezen.
2.1. Appellant heeft zich in beroep gemotiveerd tegen dit besluit gekeerd. Daarbij is ten eerste gesteld dat uit het rapport van Hoek van december 2009 blijkt dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de vervolgingsgevolgen en het niet meer in staat zijn om werk te vinden in het vrije bedrijf.
2.2. Voorts is gesteld dat verweerder rekening zou moeten houden met het feit dat het Joods Maatschappelijk Werk (JMW), waartoe appellant zich destijds in 1983 gewend heeft, appellant ten onrechte niet heeft doorgestuurd naar verweerder.
2.3. Tot slot heeft appellant gesteld dat er bij de toekenning van een periodieke uitkering in 1995 een fout is gemaakt omdat destijds financiële gegevens zijn opgevraagd nog voordat een medische beoordeling had plaatsgevonden, zodat hij er op mocht vertrouwen dat aan hem een uitkering zou worden toegekend.
2.4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat het bestreden besluit slechts met terughoudendheid door de rechter getoetst kan worden. Daarbij staat centraal de vraag of door betrokkene nieuwe feiten en omstandigheden in het geding zijn gebracht die aan verweerder bij het nemen van zijn eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
3.2. De bij het verzoek om herziening ingebrachte brieven en getuigschriften hadden zonder uitzondering bij de eerdere procedures tot toekenning in 2003, dan wel herziening in 2006, overlegd kunnen worden en zijn dat deels ook. Dit betekent dat deze bescheiden in elk geval niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden die bij het tot stand komen van de eerdere beslissingen niet bekend konden zijn aan verweerder en waarmee ten tijde van die eerdere beslissingen geen rekening kon worden gehouden.
3.3. In 1995 is aan appellant geen uitkering toegekend, mede omdat psychiater Hoek destijds concludeerde dat appellant op dat moment geen (causale) beperkingen ondervond in het werk en de sociale sfeer. De Raad heeft in zijn eerder genoemde uitspraak van 23 juni 2005 reeds geconcludeerd dat er geen redenen waren om de door appellant verrichte werkzaamheden in WSW-verband niet aan te merken als een voor de vaststelling van zijn periodieke uitkering geldend peilberoep. Dat oordeel is tot stand gekomen op de grond dat de werkbeëindiging van appellant in 1981 en de aanvaarding van de WSW-dienstbetrekking op geen enkele wijze in verband hebben gestaan met de uit de vervolging voortkomende beperkingen dan wel anderszins te relateren waren aan de voor de oorlogswetten in aanmerking te nemen omstandigheden.
3.4. Er zijn bij het thans voorliggende herzieningsverzoek geen (medische) gegevens, feiten of omstandigheden aangevoerd over de periode 1981-1983 die een ander licht op de zaak werpen en daarmee aanleiding zouden kunnen vormen om de eerdere besluitvorming met betrekking tot de te hanteren grondslag voor de uitkering thans te herzien. Het rapport van psychiater Hoek van december 2009 kan hooguit worden aangemerkt als een herinterpretatie van de situatie zoals hij die in 1995 heeft aangetroffen, maar zegt weinig of niets over de situatie van appellant in de periode 1981 -1983. Dit zou ook niet eenvoudig zijn gezien het grote tijdsverloop en het niet voorhanden zijn van medische gegevens over appellant in die periode.
3.5. Het feit dat JMW appellant in 1983 niet heeft ondersteund bij het doen van een aanvraag in het kader van de oorlogswetten kan niet worden aangemerkt als een fout of nalatigheid van verweerder. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, had appellant ondanks het negatieve advies van JMW een aanvraag in kunnen dienen. Het valt niet goed in te zien hoe en op welke wijze verweerder ruim tien jaar later met dit feit rekening had moeten houden bij zijn besluitvorming omtrent de grondslag van de uitkering van appellant.
3.6. Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat het opvragen van financiële gegevens nog voordat een medische beoordeling heeft plaatsgevonden niet, zoals namens appellant is bepleit, een toezegging behelst in de zin dat appellant erop mocht vertrouwen dat een uitkering zou worden toegekend, ook als zou blijken dat daarop geen recht bestaat.
3.7. Gelet op het vorenstaande dient het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard te worden.
4. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2012.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
De griffier is buiten staat te tekenen
HD