ECLI:NL:CRVB:2005:AT8839
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos gedrag
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de weigering van zijn WW-uitkering, omdat hij volgens hem op het moment van ontslag nog arbeidsongeschikt was door ziekte. De werkgever had de uitkering per 21 oktober 2003 geweigerd wegens verwijtbaar werkloos gedrag, omdat appellant zonder kennisgeving niet op het werk verscheen en telefonisch nauwelijks bereikbaar was.
De Raad oordeelt dat appellant zich op 17 oktober 2003 hersteld heeft gemeld en op 20 oktober 2003 weer zou gaan werken. Diverse schriftelijke verklaringen van de werkgever en opdrachtgever bevestigen dat appellant op 20 oktober niet is verschenen en zich pas aan het einde van die dag opnieuw hersteld heeft gemeld. Hierdoor is sprake van verwijtbaar werkloosheid.
Het hoger beroep faalt en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen grond voor vergoeding van proceskosten. De Raad concludeert dat het gedrag van appellant redelijkerwijs de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg had kunnen hebben.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos gedrag.