ECLI:NL:CRVB:2005:AT9076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Geen gezamenlijke huishouding zonder wederzijdse zorg bij medehuurderschap
De Sociale verzekeringsbank (appellant) kende aan gedaagde een ouderdomspensioen toe volgens de gehuwdennorm, omdat zij meende dat gedaagde en betrokkene een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 1, vierde lid, van de AOW. De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en vernietigde het besluit, omdat onvoldoende was gebleken van wederzijdse zorg.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelt dat medehuurderschap en het delen van woonlasten niet automatisch duiden op gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg moet blijken uit een mate van financiële verstrengeling of andere objectieve feiten en omstandigheden die aantonen dat partijen in elkaars verzorging voorzien.
In dit geval was gedaagde slechts medehuurder op verzoek van betrokkene om woonzekerheid te garanderen, zonder verdere financiële verstrengeling of verzorging. Gedaagde voerde een eigen huishouden en verrichtte slechts incidenteel tuinwerk. Het gebruik van de wasmachine van betrokkene paste binnen de huurder-verhuurderrelatie. De Raad benadrukt dat appellant niet mechanisch criteria mag toepassen, maar materieel moet toetsen.
De Raad bevestigt het vernietigende vonnis van de rechtbank en bepaalt dat appellant binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij aan gedaagde een ouderdomspensioen volgens de ongehuwdennorm wordt toegekend. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen sprake is van gezamenlijke huishouding en dat gedaagde een ouderdomspensioen naar de ongehuwdennorm moet ontvangen.