ECLI:NL:CRVB:2005:AT9094
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van inkomsten uit arbeid en toepassing artikel 44 WAO bij directeur-grootaandeelhouder
Appellant, directeur-grootaandeelhouder van een B.V., ontving sinds 1986 een WAO-uitkering. Na onderzoek in 2001 bleek dat zijn inkomsten uit arbeid, inclusief loon, privégebruik auto en winstuitkeringen, zodanig waren dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg. De uitkering werd daarom vanaf 1 januari 1997 geschorst en later ingetrokken.
De Raad overwoog dat de toerekening van inkomsten uit arbeid aan appellant terecht was, ook al betwistte hij dit en stelde dat sprake was van normaal vermogensbeheer. De Raad verwierp het bezwaar dat het nabestaandenpensioen als inkomen uit arbeid moest worden gezien. Ook werd het loon van de partner toegerekend omdat zij nauwelijks werkzaamheden verrichtte en het loon aan appellant ten goede kwam.
De Raad bevestigde dat artikel 44 WAO Pro toepassing vindt bij inkomsten uit arbeid die de betrokkene zelf heeft genoten, maar erkende dat in bijzondere gevallen ook indirecte verrijking kan worden toegerekend. De terugvordering van onverschuldigde uitkeringen werd eveneens bevestigd. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraken van de rechtbank en beslissingen op bezwaar werden bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende verlies aan verdiencapaciteit.