ECLI:NL:CRVB:2005:AT9123

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/7269 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen intrekking WAO-uitkering wegens termijnoverschrijding

Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering, maar diende dit bezwaar te laat in. De Raad oordeelde dat de door appellant aangevoerde omstandigheden, waaronder analfabetisme, verkeerde informatie door derden, woonplaats in een afgelegen bergdorp en trage postbezorging, onvoldoende zijn om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.

De medische gegevens toonden niet aan dat appellant langdurig niet in staat was om bezwaar te maken. De Raad stelde vast dat het verzuim voor rekening van appellant komt, mede omdat hij pas bezwaar maakte toen hij merkte dat de uitkering niet meer werd uitbetaald.

De Raad verwierp het beroep en bevestigde het eerdere oordeel van de rechtbank Amsterdam dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht om alsnog ontvankelijkheid toe te staan.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van de WAO-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/7269 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2004, nummer WAO 04/776, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 juni 2005, waar voor appellant is verschenen mr. U.J. van der Veldt, advocaat te Amsterdam, en waar namens gedaagde is verschenen mr. S.J.M.H. Klerx, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij aangetekend schrijven van 30 april 2003, zowel in de Franse als in de Nederlandse taal gesteld, heeft gedaagde appellant op de hoogte gesteld van zijn besluit appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO) met ingang van 7 november 2003 in te trekken.
Bij brieven van 10 en 12 december 2003 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Nadat gedaagde bij appellant had geïnformeerd naar de reden van de overschrijding van de bezwaartermijn, heeft hij bij het bestreden besluit van 2 april 2004 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
(Ook) in hoger beroep is namens appellant naar voren gebracht, dat appellant en zijn echtgenote analfabeet zijn en derhalve op de hulp van derden zijn aangewezen. De eerste persoon aan wie appellant het besluit van 30 april 2003 heeft laten lezen, heeft de strekking ervan niet begrepen. Appellant is hierdoor op het verkeerde been gezet en heeft pas bezwaar kunnen maken toen hij merkte dat zijn uitkering niet meer werd uitbetaald. Appellant woont in een afgelegen bergdorp, waar rechtshulp niet voorhanden is, aldus zijn gemachtigde.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze omstandigheden redelijkerwijs niet tot het oordeel kunnen leiden dat appellant niet in verzuim is geweest. Dat appellant – zoals namens hem is gesteld – door degene die hij heeft geraadpleegd, onjuist is geïnformeerd en daardoor eerst bezwaar heeft gemaakt toen hij merkte dat zijn uitkering niet meer tot uitbetaling kwam, moet voor zijn rekening blijven. De overige in de bezwaarfase en in eerste aanleg naar voren gebrachte omstandigheden, appellants ziekte, de trage postbezorging en het feit dat in appellants directe woonomgeving geen rechtshulp voorhanden is, kan niet tot verschoonbaarheid leiden van een termijnoverschrijding van de omvang als hier aan de orde. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit de beschikbare medische gegevens geenszins blijkt dat appellant gedurende lange tijd in het geheel niet in staat is geweest bezwaar te (doen) maken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2005.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.