ECLI:NL:CRVB:2005:AT9180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1422 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArtikel 5 Beleidsregel arbeidsduurverkorting burgerlijke ambtenaren defensie
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit geen opbouw compensatie-uren ADV tijdens ziekte voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar

Appellante, een burgerambtenaar die sinds mei 1998 gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, verzocht om opbouw van compensatie-uren in het kader van arbeidsduurverkorting (ADV) tijdens ziekte. De Directeur Centrale Dienst Personeel en Organisatie van de Koninklijke Landmacht wees dit verzoek af omdat appellante sinds haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid geen extra uren werkte boven haar bezoldigde aanstelling.

De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat deze benadering een ongeoorloofde ongelijkheid zou veroorzaken tussen medische en niet-medische parttimers. De Raad verwierp dit argument omdat appellante tot november 2001 werd bezoldigd op basis van een 38-urige aanstelling, terwijl zij vanwege haar medische beperkingen niet in die omvang werkte.

De Raad oordeelde dat opbouw van compensatie-uren alleen plaatsvindt indien meer uren worden gewerkt dan waarvoor men is aangesteld en bezoldigd. Het bestreden besluit werd daarom terecht in stand gelaten. De Raad wees tevens een verzoek om vergoeding van proceskosten af.

De uitspraak bevestigt dat tijdens ziekte geen aanspraak bestaat op compensatie-uren ADV indien er geen extra uren boven de bezoldigde aanstelling worden gewerkt.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellante geen compensatie-uren ADV opbouwt tijdens ziekte omdat zij geen extra uren boven haar bezoldigde aanstelling werkte.

Uitspraak

04/1422 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] te Duitsland, appellante,
en
de Directeur Centrale Dienst Personeel en Organisatie van de Koninklijke Landmacht , gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 februari 2004, nr. AWB 02/2259 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2005, waar appellante en haar gemachtigde na voorafgaand bericht niet zijn verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegen-woordigen door mr. S.E.B. Gorsira en mr. A.E.P. van Zandbergen, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellante, als burgerambtenaar in de functie van [naam functie te plaats], is op 25 mei 1998 ongeschikt geworden voor haar werkzaamheden als gevolg van ziekte. In juni 2000 heeft zij haar werkzaamheden in deeltijd hervat.
1.2. Naar aanleiding van een verzoek van appellante om opbouw van compensatie-uren in het kader van de arbeidsduurverkorting (ADV) tijdens ziekte, is appellante bij besluit van 1 mei 2001 meegedeeld dat er, sedert zij in verband met haar (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid geen extra uren meer werkte, geen opbouw van ADV-uren meer plaatsvond.
1.3. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 3 juni 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. De Raad onderschrijft de overwegingen waarop de aangevallen uitspraak berust. Hij voegt daar met betrekking tot het namens appellante in hoger beroep (wederom) aangevoerde het volgende aan toe.
3.1. In artikel 5 van Pro de Beleidsregel arbeidsduurverkorting burgerlijke ambtenaren defensie (hierna: de Beleidsregel) is bepaald dat ingeval van ziekte gedurende een dag/dagdeel/uren waarop vrij van dienst is vanwege ADV, geen aanspraak bestaat op enige compensatie.
3.2. Naar het oordeel van de Raad volgt voorts uit inhoud en strekking van de Beleidsregel dat slechts compensatie-uren worden opgebouwd indien (wekelijks) meer uren wordt gewerkt dan waarvoor een betrokkene is aangesteld en wordt bezoldigd.
3.3. Appellante werd, tot zij per 1 november 2001 een aanstelling voor 19 uur per week verkreeg, bezoldigd op basis van haar 38-urige aanstelling, terwijl zij in verband met haar medische beperkingen vanaf 25 mei 1998 niet meer in die omvang en zeker niet méér dan in die omvang werkzaam is geweest. De Raad kan dan ook niet inzien dat appellante sedert mei 1998 compensatie-uren zou hebben kunnen opbouwen.
De niet onderbouwde of nader toegelichte grief van appellante, dat de vorenomschreven benadering een - in haar nadeel uitwerkende - ongeoorloofde ongelijkheid teweeg zou brengen tussen medische en niet-medische parttimers, treft geen doel, reeds omdat appellante, anders dan niet-medische parttimers, werd bezoldigd naar 38 uur.
4. De Raad is dan ook van oordeel dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit terecht in stand is gelaten, bevestigd moet worden.
5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) P.W.J. Hospel.