Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AT9338

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/94 ZFW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Regeling Hulpmiddelen 1996Art. 16 Regeling Hulpmiddelen 1996Art. 26b Regeling Hulpmiddelen 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag trippelstoel wegens niet voldoen aan mobiliteitscriteria Regeling Hulpmiddelen 1996

Appellante verzocht om verstrekking van een trippelstoel, een loophulpmiddel, maar haar aanvraag werd door gedaagde afgewezen op grond van artikel 26b, derde lid, van de Regeling Hulpmiddelen 1996. Dit besluit werd ook op bezwaar gehandhaafd en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat zij wel aanspraak had op de trippelstoel, onderbouwd met medische verklaringen van een ergotherapeut en een revalidatiearts. De Raad beoordeelde de zaak aan de hand van de Regeling, waarin is bepaald dat een trippelstoel alleen wordt verstrekt indien de verzekerde zich binnenshuis alleen zittend kan verplaatsen en geen bruikbare rolstoel heeft, of indien een looprek of rollator niet gebruikt kan worden vanwege een gestoorde hand- of armfunctie.

De Raad concludeerde dat appellante niet aan deze criteria voldoet. Uit medische adviezen, huisbezoeken en verklaringen bleek dat zij kleine afstanden kan lopen en over een bruikbare rolstoel beschikt. De aanvullende medische stukken van appellante gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag voor een trippelstoel wordt afgewezen omdat appellant niet voldoet aan de criteria van de Regeling Hulpmiddelen 1996.

Uitspraak

03/94 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
OWM Agis Zorgverzekeringen u.a, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
OWM Agis Zorgverzekeringen U.A. is de rechtsopvolger van de OWM Anova Zorgverzekeringen U.A. In het onderhavige geding wordt onder gedaagde tevens verstaan de OWM Anova Zorgverzekering U.A.
Namens appellante heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 22 november 2002, reg.nr. AWB 01/917.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 1 juni 2005, waar appellante - met voorafgaand bericht - en gedaagde niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 1 december 2000 heeft gedaagde de aanvraag van appellante om verstrekking van een stoel die voorzien is van een trippelfunctie (hierna: trippelstoel) afgewezen. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit op bezwaar van 14 augustus 2001, in overeenstemming met het advies van het College voor zorgverzekeringen (CVZ) van 8 augustus 2001, ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante niet voldoet aan de in artikel 26b, derde lid, van de Regeling Hulpmiddelen 1996 (hierna: Regeling) gestelde voorwaarden.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 14 augustus 2001 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep, onder verwijzing naar brieven van haar ergotherapeute F.T. Veltman van 13 oktober 2000 en revalidatiearts J.H. Martens van 16 februari 2001, gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is in geschil of appellante op grond van de Regeling aanspraak heeft op verstrekking van een trippelstoel.
Ingevolge artikel 2, tweede lid, onder k, van de Regeling omvat de aanspraak op hulpmiddelen de verschaffing in eigendom van hulpmiddelen voor de mobiliteit van personen als aangegeven in artikel 26b van de Regeling.
In artikel 26b, eerste lid, aanhef en sub a, van de Regeling is bepaald dat de in artikel 2 van Pro de Regeling bedoelde hulpmiddelen zijn: stoelen voorzien van een trippelfunctie.
Ingevolge artikel 26b, derde lid, van de Regeling bestaat aanspraak op een trippelstoel indien de verzekerde zich binnenshuis alleen zittend kan verplaatsen en niet beschikt over een in huis bruikbare rolstoel of indien de verzekerde aanspraak kan maken op een hulpmiddel als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder c en d, van de Regeling (looprek respectievelijk rollator), maar dit niet kan gebruiken vanwege een gestoorde hand- of armfunctie of zich niet zonder gebruik van de handen staande kan houden.
De Raad stelt voorop dat de trippelstoel blijkens de Regeling een loophulpmiddel is en dat deze pas geïndiceerd kan worden geacht indien een verzekerde beperkingen ondervindt bij de mobiliteit in huis.
Gelet op alle thans ter beschikking staande gegevens, is de Raad, evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak, met de strekking waarvan de Raad zich verenigt, tot het oordeel gekomen dat gedaagde bij het bestreden besluit terecht de aanvraag van appellante voor een trippelstoel heeft afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de in artikel 26b, derde lid, van de Regeling opgenomen criteria. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen de adviezen van de adviserend geneeskundige van gedaagde M. Helder van 5 september 2000 en 14 november 2000, de verslagen van huisbezoeken van de technisch adviseur van gedaagde op 31 juli 2000 en 29 maart 2001 en een brief van appellantes huisarts C.E.A.M. Bergers van 18 mei 2000. Uit genoemde stukken blijkt dat appellante kleine afstanden kan lopen en dat zij beschikt over een bruikbare rolstoel.
De overige medische gegevens, waaronder de brieven van de ergotherapeut Veltman en de revalidatie-arts Martens, leiden de Raad niet tot een ander oordeel. Ook uit deze gegevens blijkt immers dat appellante beschikt over een bruikbare rolstoel.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.