ECLI:NL:CRVB:2005:AT9447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking nabestaandenuitkering wegens voortgezet samenwonen ondanks melding beëindiging gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na beëindiging van de uitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met [B.], meldde zij dat deze huishouding was beëindigd per 30 oktober 1998. Op basis van deze melding werd de uitkering opnieuw toegekend met ingang van 1 oktober 1998.
De Sociale verzekeringsbank stelde echter een onderzoek in naar de rechtmatigheid van deze uitkering, waarbij werd vastgesteld dat appellante en [B.] de gezamenlijke huishouding voortzetten. Dit bleek uit verklaringen, observaties en dossieronderzoek. Op grond hiervan werd de uitkering ingetrokken en teruggevorderd over de periode dat de huishouding voortduurde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden door onjuiste informatie te verstrekken. Hierdoor was de uitkering ten onrechte toegekend. De Raad vond geen aanleiding voor toepassing van dringende redenen die intrekking of terugvordering zouden verhinderen en verwierp het beroep van appellante.
De uitspraak bevestigt dat het bestuursorgaan terecht heeft gehandeld en dat de terugvordering van de onterecht betaalde uitkering rechtmatig is. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering en terugvordering van onterecht betaalde bedragen worden bevestigd wegens voortzetting van de gezamenlijke huishouding.