ECLI:NL:CRVB:2005:AT9452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1 mei 1997 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van anonieme meldingen dat zij samenwoonde met Van H. heeft de Sociale verzekeringsbank onderzoek laten doen, waaronder dossieronderzoek, huisbezoek en een verklaring van appellante.
Op basis van het rapport van 30 juli 2002 concludeerde de Sociale verzekeringsbank dat appellante sinds mei 2000 een gezamenlijke huishouding voert met Van H. zonder dit te melden, en trok de uitkering met ingang van 1 juni 2000 in. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellante ging in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat het rapport en de verklaring van appellante voldoende bewijs vormen voor de gezamenlijke huishouding. De verklaring is rechtsgeldig afgelegd en niet onder druk. Appellante heeft haar mededelingsplicht geschonden, waardoor de uitkering ten onrechte werd verleend. De intrekking is terecht en de uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder melding wordt bevestigd.