ECLI:NL:CRVB:2005:AT9478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank een onderzoek naar het recht op uitkering, waarbij werd vastgesteld dat appellant en betrokkene vanaf 31 oktober 1998 een gezamenlijke huishouding voerden.
De Raad toetste dit aan de hand van objectieve criteria uit artikel 3, derde lid, van de Anw, waarbij werd vastgesteld dat appellant en betrokkene hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar, onder meer door gezamenlijke financiële verplichtingen en verzorging.
Appellant voerde aan dat de verklaring van betrokkene onder druk was afgelegd, maar de Raad achtte deze verklaring betrouwbaar en ondersteund door andere onderzoeksresultaten. Gezien deze feiten bevestigde de Raad de intrekking van de uitkering met ingang van 31 oktober 1998.
De Raad zag geen dringende redenen om van intrekking af te zien en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering per 31 oktober 1998 wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.