ECLI:NL:CRVB:2005:AT9595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens detentie na toepassing Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden
Appellant, die sinds 1992 een WAO-uitkering ontving, werd in oktober 2001 gedetineerd. Naar aanleiding hiervan trok het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de WAO-uitkering met ingang van 18 november 2001 in, op grond van artikel 43, vijfde lid, van de WAO zoals ingevoerd door de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg).
Appellant stelde in hoger beroep dat deze intrekking in strijd was met diverse internationale verdragsbepalingen, waaronder artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de Wsg in overwegende mate standhoudt bij rechterlijke toetsing, waarbij een eerdere uitspraak van 18 juni 2004 werd aangehaald waarin de Raad de meeste bezwaren verwierp.
De Raad erkende dat de overgangstermijn van één maand en de mogelijkheid tot herleving van het uitkeringsrecht na vrijheidsbeneming niet volledig voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, maar achtte de intrekking van de WAO-uitkering in dit geval terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens detentie wordt bevestigd en het hoger beroep afgewezen.