ECLI:NL:CRVB:2005:AT9757

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/876 REA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet REAArt. 6 Wet REAArt. 10 Wet REAArt. 12 REA-besluitArt. 14 Wet REA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering vergoeding digitale gehoorapparaten op grond van Wet REA

Gedaagde verzocht op 27 maart 2001 om een aanvullende vergoeding voor digitale gehoorapparaten, waarvan een deel al werd vergoed door de ziektekostenverzekeraar. Het UWV wees dit verzoek af omdat het zich niet bevoegd achtte de kosten te vergoeden die volgens de ziektekostenverzekering ten laste van het UWV blijven. Dit besluit werd ook op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens onvoldoende motivering omtrent het onderscheid tussen vergoeding van orthopedische schoenen en hoortoestellen, in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV terecht heeft geweigerd de vergoeding toe te kennen omdat gehoorapparaten niet onder de voorzieningen vallen zoals bedoeld in artikel 31 van Pro de Wet REA en het REA-besluit. Het bezwaar is gegrond omdat het UWV onterecht heeft aangenomen bevoegd te zijn en zijn besluit op een onjuiste motivering baseerde. De vernietiging van het besluit laat de rechtsgevolgen echter intact.

De Raad veroordeelt het UWV tevens in de proceskosten van gedaagde. De uitspraak bevestigt dat de vergoeding van gehoorapparaten niet onder de Wet REA valt en dat de ziektekostenverzekering hiervoor primair verantwoordelijk is.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

03/876 REA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 december 2002,
reg.nr. AWB 02/101 REA.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juni 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. G. Koopman, werkzaam bij appellant, en waar gedaagde en zijn gemachtigde, mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Utrecht, - na voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II.MOTIVERING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Gedaagde heeft bij aanvraag van 27 maart 2001 verzocht om een aanvullende vergoeding voor de kosten van digitale gehoorapparaten. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat een deel van de kosten van deze apparaten wordt vergoed door zijn ziektekostenverzekeraar.
Bij besluit van 17 september 2001 heeft appellant de aanvraag van 27 maart 2001 afgewezen, omdat appellant zich niet bevoegd acht tot het vergoeden van de kosten die ingevolge de ziektekostenverzekering ten laste van appellant blijven.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij het besluit op bezwaar van 26 november 2001 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan ligt, onder verwijzing naar de artikelen 2, 10, 31 en 39 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet REA) en de artikelen 2 en 6 tot en met 14 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA (Stb. 1998, 293, hierna: REA-besluit), het standpunt ten grondslag dat een hulpmiddel dat uitsluitend voor het werk noodzakelijk is in beginsel op grond van de Wet REA wordt vergoed en dat een hulpmiddel dat (mede) voor gebruik in de privé-situaties nodig is, veelal vergoed dan wel verstrekt wordt door de ziektekostenverzekeraar. Gelet op dat onderscheid wordt de door gedaagde gevraagde vergoeding van gehoorapparatuur - die gedaagde zowel voor het werk als voor thuis nodig heeft - niet vergoed op grond van de Wet REA.
Bij de aangevallen uitspraak is - met een bepaling omtrent het griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant in het bestreden besluit ontoereikend heeft gemotiveerd waarom orthopedische schoenen wel worden vergoed en hoortoestellen niet, hetgeen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is in geschil of appellant op goede gronden in het kader van de Wet REA heeft geweigerd een deel van de kosten van gehoorapparaten van gedaagde te vergoeden.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet REA kan gedaagde aan de arbeids-gehandicapte die arbeid in dienstbetrekking verricht op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud of herstel van de arbeidsgeschiktheid of die de arbeidsgeschiktheid kunnen bevorderen. In het tweede lid van artikel 31 Wet Pro REA is bepaald dat onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend worden verstaan
a. vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de arbeidsgehandicapte werknemer zijn werkplek kan bereiken;
b. noodzakelijke persoonlijke ondersteuning van de werknemer (…)
c. communicatievoorzieningen voor doven.
In artikel 12 van Pro het REA-besluit - waarin nadere regels zijn gesteld met betrekking tot artikel 31 van Pro de Wet REA - is onder meer bepaald dat onder een communicatievoor-ziening voor doven als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de Wet REA uitsluitend wordt verstaan een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker die door appellant is erkend.
Vergoeding van de kosten van gehoorapparaten kan, mede gelet op het bepaalde in het REA-besluit, niet worden aangemerkt als een van de voorzieningen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Wet REA. Dit heeft tot gevolg dat appellant niet bevoegd is op grond van artikel 31 van Pro de Wet REA de gevraagde vergoeding van gehoorapparaten aan gedaagde toe te kennen. Nu ook de overige bepalingen van de Wet REA daartoe geen grondslag bieden, heeft appellant terecht geweigerd het verzoek van gedaagde te honoreren.
Aangezien gedaagde bij het bestreden besluit miskend heeft niet bevoegd te zijn en zijn afwijzing heeft gebaseerd op een onjuiste motivering, is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kunnen evenwel de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Naar in het voorgaande tevens ligt besloten komt de aangevallen uitspraak -behoudens de bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht- voor vernietiging in aanmerking.
De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens de bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 26 november 2001;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot € 322,--.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.