ECLI:NL:CRVB:2005:AT9825
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Herziening, intrekking en terugvordering van WAO-uitkering wegens gewijzigde arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) inzake de herziening, intrekking en terugvordering van zijn WAO-uitkering. De rechtbank had eerder een besluit vernietigd dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt achtte over de periode 2000, omdat dit in strijd was met de wettelijke termijn van drie jaar zoals bepaald in artikel 44, tweede lid, van de WAO.
Naar aanleiding van die uitspraak heeft het Uwv twee nieuwe besluiten genomen waarin de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2000 wordt ingetrokken en het onverschuldigd betaalde bedrag van € 5.247,43 wordt teruggevorderd. Appellant betwist deze besluiten onder meer vanwege de wettelijke grondslag en de financiële situatie van appellant, die volgens hem een dringende reden vormt om van terugvordering af te zien.
De Raad oordeelt dat de nieuwe besluiten rechtsgeldig zijn gebaseerd op artikel 43 van Pro de WAO en dat de financiële situatie van appellant geen dringende reden oplevert in de zin van artikel 57, vierde lid, van de WAO. Tevens wijst de Raad het beroep af omdat de rechtbank terecht het eerdere besluit vernietigde en de nieuwe besluiten in overeenstemming zijn met de wet. De verrekening van de proceskostenvergoeding met andere vorderingen blijft buiten beschouwing omdat hierover geen beslissing is genomen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het oorspronkelijke besluit en verklaart de beroepen tegen de nieuwe besluiten ongegrond.