ECLI:NL:CRVB:2005:AT9836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Anw-uitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding en alimentatieverplichting na echtscheiding
Appellante was 35 jaar gehuwd met haar ex-echtgenoot, die manisch depressief was en alcoholverslaafd. Na moeilijke omstandigheden koos zij voor echtscheiding, waarna zij feitelijk gescheiden leefden en geen alimentatie werd opgelegd of betaald. Na het overlijden van haar ex-echtgenoot vroeg zij een Anw-uitkering aan, welke werd afgewezen omdat zij geen nabestaande was in de zin van de wet.
De Raad overwoog dat volgens artikel 4 van Pro de Anw alleen gewezen echtgenoten recht hebben op een nabestaandenuitkering indien zij een alimentatieverplichting hadden en de overledene verplicht was deze na te komen. De bijdrage van appellante aan de vaste lasten van haar ex-echtgenoot en de verklaring van de huisarts over diens geestelijke toestand konden dit niet wijzigen.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. De Raad concludeerde dat appellante niet als nabestaande kan worden aangemerkt en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank Leeuwarden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een Anw-uitkering wordt afgewezen.