ECLI:NL:CRVB:2005:AT9933

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4153 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 AbwArt. 24 AbwArt. 39 Abw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning bijzondere bijstand in de vorm van geldlening voor vervanging cv-ketel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Appellant heeft op 19 december 2001 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van vervanging van een cv-ketel. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage heeft bij besluit van 11 januari 2002 bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 2 augustus 2002 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelt dat de vraag in hoger beroep beperkt is tot de vorm van de bijzondere bijstand. Artikel 24 van Pro de Algemene bijstandswet bepaalt dat bijstand in de vorm van een geldlening kan worden verleend indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De Raad stelt vast dat appellant geen onderhoud aan zijn cv-ketel heeft laten plegen, waardoor deze voortijdig aan vervanging toe was, wat duidt op een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

De Raad concludeert dat het College bevoegd was om de bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen en dat er geen omstandigheden zijn die dit besluit onredelijk maken. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.

Uitkomst: De toekenning van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor vervanging van de cv-ketel wordt bevestigd.

Uitspraak

03/4153 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.
Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 juli 2002 (lees: 2003), reg.nr. 02/3564 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd aan de Raad nadere stukken gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 juni 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Van Es, en waar gedaagde zich - met bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 19 december 2001 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) in de kosten van vervanging van een cv-ketel.
Bij besluit van 11 januari 2002 heeft gedaagde de aanvraag van appellant, met toepassing van de artikelen 39, 21 en 24 van de Abw, toegewezen en recht op bijzondere bijstand verleend in de vorm van een geldlening tot een bedrag van ? 2.605,49.
Bij besluit van 2 augustus 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 11 januari 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, stelt de Raad vast dat in hoger beroep nog slechts in geding is de vorm van de bijzondere bijstand die gedaagde aan appellant heeft verleend.
In artikel 24, aanhef en onder b, van de Abw is bepaald dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Anders dan bij artikel 21 van Pro de Abw speelt in het kader van de toepassing van artikel 24 van Pro de Abw de vraag of de betreffende cv-ketel een duurzaam gebruiksgoed is of niet, geen rol.
Met gedaagde is de Raad van oordeel dat appellant blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan door nimmer onderhoud te laten plegen aan zijn cv-ketel, zodat deze voortijdig aan vervanging toe was. Dit brengt mee dat gedaagde bevoegd was de bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen.
Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, dient te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
MvK28065