ECLI:NL:CRVB:2005:AU0210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gedeeltelijke WAO-uitkering bij recidiverende hoofdpijnklachten
Appellant, een tuinbouwmedewerker met recidiverende hoofdpijnklachten, viel in december 1999 uit voor zijn werkzaamheden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde op basis van medisch en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk maar nog in staat tot andere werkzaamheden, met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en werd opnieuw medisch onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat de hoofdpijn mogelijk samenhangt met hypertensie en voegde beperkingen toe voor langdurig staan, zonder gevolgen voor de geschiktheid voor functies. De rechtbank vond geen aanleiding om de medische beperkingen onjuist te achten en verwierp het bezwaar van appellant wegens gebrek aan nieuwe medische onderbouwing.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven, maar zonder aanvullende medische gegevens. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat de beperkingen en de gekozen functies passend waren. Het bestreden besluit werd bevestigd, waarbij ook rekening werd gehouden met de beleidsmatige criteria voor benutbare arbeidsmogelijkheden en de medische beperkingen zoals vastgesteld door de verzekeringsartsen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot toekenning van een gedeeltelijke WAO-uitkering van 25 tot 35%.