ECLI:NL:CRVB:2005:AU0230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs dienstbetrekking
Appellanten ontvingen vanaf augustus 1996 een bijstandsuitkering. Na een onderzoek van de sociale recherche naar vermeende werkzaamheden van appellant in een winkel te Maastricht, besloot gedaagde de bijstand over de periode van 20 augustus 1996 tot 1 mei 2000 te herzien en deels in te trekken wegens niet opgegeven inkomsten en vermeende arbeid die het minimumloon zou opleveren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten alleen nog de intrekking over de periode van 1 juni 1998 tot 1 mei 2000. De Raad stelde vast dat appellant de winkel feitelijk exploiteerde zonder formele dienstbetrekking en dat er onvoldoende basis was om aan te nemen dat hij redelijkerwijs het minimumloon kon verwerven.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit voor dit deel, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellanten hun inlichtingenplicht hadden geschonden. Ook de terugvordering van de bijstandskosten bleef in stand. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand over juni 1998 tot mei 2000 wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege schending van de inlichtingenplicht.