ECLI:NL:CRVB:2005:AU0245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet opgegeven vermogen
Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 1995 een bijstandsuitkering die later werd omgezet naar de Algemene bijstandswet (Abw). Naar aanleiding van gegevens van de Belastingdienst over een bankrekening op naam van appellant en zijn echtgenote, heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage onderzoek ingesteld. Hierbij bleek dat appellant geen mededeling had gedaan over deze bankrekening en geen afschriften had verstrekt.
Op grond hiervan heeft gedaagde het recht op bijstand over de periode 1 januari 1999 tot en met 24 april 2001 ingetrokken en de kosten van de bijstand teruggevorderd. Tevens werd een boete opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad overweegt dat de tegoeden op de bankrekening tot het vermogen van appellant behoren, omdat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat het tegoed niet tot zijn vermogen gerekend kan worden. Het niet verstrekken van gegevens over deze bankrekening betekent dat appellant zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen. De intrekking en terugvordering zijn daarom terecht.
De boete is verlaagd van het oorspronkelijke bedrag naar € 315,55 conform de Maatregelenverordening WWB. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van de boete of deze verder te verlagen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, maar appellant wordt in de proceskosten van € 1.288,-- en het betaalde griffierecht van € 116,-- in beroep en hoger beroep tegemoetgekomen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd en de boete wordt verlaagd tot € 315,55.