ECLI:NL:CRVB:2005:AU0478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.G. Treffers
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Niet-toelaatbare terugwerkende beëindiging van WAO-uitkering bevestigd door Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en een voormalige lerares over de beëindiging van haar WAO-uitkering. Na een eerdere intrekking van de WAO-conforme uitkering per 24 maart 1997, die later werd teruggedraaid, weigerde appellant de WAO-uitkering met ingang van 20 januari 1998. De rechtbank oordeelde dat gedaagde medisch gezien niet in staat was haar werk volledig te verrichten en vernietigde het besluit tot weigering.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte subjectieve factoren had meegewogen en dat de medische rapporten geen objectieve beperkingen aantoonden. De Raad onderschreef dit standpunt en stelde dat de duurbeperking gebaseerd was op subjectieve beleving en niet op objectieve medische gegevens. Desondanks oordeelde de Raad dat de intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht niet toelaatbaar was, omdat de WAO-conforme uitkering per 1 januari 1998 feitelijk was omgezet in een WAO-uitkering.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en bepaalde dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens wees de Raad een verzoek tot vergoeding van kosten af omdat deze in de eerdere procedure hadden kunnen worden gevorderd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de terugwerkende intrekking van de WAO-uitkering per 20 januari 1998 niet toelaatbaar is.