Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU0498

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4835 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 75a ZWArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:10 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit beëindiging ziekengeld wegens herstel arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als schoonmaker, werd op 16 mei 2001 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt verklaard. Na medische herbeoordeling door een verzekeringsarts op 15 augustus 2001 werd vastgesteld dat appellant geen beperkingen meer had voor zijn werk en werd het ziekengeld per 20 augustus 2001 stopgezet. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd afgewezen.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad onderzocht onder meer de ontvankelijkheid van het bezwaar, waarbij werd vastgesteld dat het besluit niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt, waardoor de bezwaartermijn formeel niet was aangevangen. Desondanks bleef het bezwaar ontvankelijk omdat het besluit ten tijde van indiening reeds tot stand was gekomen.

Inhoudelijk onderschreef de Raad de eerdere beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts, die op grond van medische rapporten en een hoorzitting concludeerde dat appellant geschikt was voor zijn werk. Er was geen sprake van ernstige psychopathologie die het werk zou verhinderen. De Raad zag geen reden om aan deze conclusie te twijfelen en bevestigde het bestreden besluit.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 20 augustus 2001 wordt bevestigd.

Uitspraak

03/4835 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 11 december 2001 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 21 augustus 2003 (AWB 02/242 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. E. van den Boogaard, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 15 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Boogaard, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B. Kleijs, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant, die als uitzendkracht werkzaam was als schoonmaker in het [naam werkgever] te [vestigingsplaats], is op 16 mei 2001 wegens psychische klachten, samenhangend met problemen in zijn huwelijk, ongeschikt geworden tot het verrichten van zijn arbeid.
Hij heeft terzake van dit ziektegeval op 28 juni 2001 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, waar appellant een sombere indruk maakte en gepreoccupeerd leek met de eigen problematiek. Op het Afschrift Medische Kaart is genoteerd dat appellant wel dacht te kunnen werken, maar dat hij bang was dat zijn vrouw met de kinderen weer zou weglopen.
Op 15 augustus 2001 is appellant opnieuw gezien door een verzekeringsarts, die constaterend dat sprake was van dezelfde problemen vaststelde dat bij appellant geen beperkingen bestonden voor het verrichten van zijn eigen werk. Appellant is toen aangezegd dat hij per 20 augustus 2001 hersteld werd geacht, zij het dat er nog informatie bij de huisarts zou worden opgevraagd.
Op 15 augustus 2001 is vervolgens het besluit genomen om aan appellant met ingang van 20 augustus 2001 geen ziekengeld meer toe te kennen.
Naar aanleiding van het gesprek met de verzekeringsarts van 15 augustus 2001 heeft appellant bij op 18 augustus 2001 gedateerde brief die op 3 september 2001 bij gedaagde is ingekomen bezwaar gemaakt tegen voormelde beslissing.
Naar aanleiding hiervan is appellant op 25 oktober 2001 gezien door bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek, die inlichtingen heeft ingewonnen bij GGZ Buitenamstel en bij appellants huisarts. Voormelde instelling kon toen nog geen informatie verstrekken, omdat appellant daar nog in de intakefase zat. De huisarts maakte in een brief van 27 november 2001 onder meer melding van een depressief syndroom in april 2000, waarvoor medicatie in mei 2000 leek te helpen. Op 9 augustus 2001 was appellant volgens de huisarts nog radeloos, omdat zijn echtgenote wilde scheiden. Appellant had toen verzocht om een Riagg-verwijzing.
De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 10 december 2001 opgemerkt dat appellant op de hoorzitting geen ernstig vermoeide indruk maakte en er niet uitzag alsof hij al maanden nauwelijks sliep. Op grond van de afwezigheid van ernstige apathie, ernstige somberheid of andere ernstige psychopathologie, achtte zij appellant in staat tot routinematige handelingen, waarbij geen continue aandachtsconcentratie gevraagd werd, en niet voortdurend verschillende taken tegelijkertijd verricht moesten worden. Hij werd daarom geschikt geacht voor zijn werk als schoonmaker.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant ontvankelijk geacht en overeenkomstig het rapport van voornoemde bezwaarverzekeringsarts ongegrond verklaard.
De Raad ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of gedaagde het bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht.
Ingevolge het bepaalde in destijds artikel 75a van de Zw bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift twee weken. Artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor dat die termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Artikel 3:41 van Pro de Awb bepaalt dat de bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende.
Gelet op de gedingstukken is voor de Raad niet komen vast te staan dat het besluit van 15 augustus 2001 aan appellant is uitgereikt dan wel verzonden. Nu niet is komen vast te staan dat het besluit van 15 augustus 2001 op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, was de bezwaartermijn als bedoeld in arikel 6:8 van de Awb niet op 15 augustus 2001 en ook niet ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift aangevangen. Hiervan uitgaande moet het bezwaarschrift worden aangemerkt als zijnde voortijdig ingediend. Op grond van het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb blijft niet-ontvankelijkheid evenwel achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift wel reeds tot stand was gekomen, hetgeen hier het geval is.
De Raad beantwoordt de hiervoor opgeworpen vraag dus bevestigend.
Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank. Met name de rapportage van voornoemde bezwaarverzekeringsarts geeft naar het oordeel van de Raad blijk van een zorgvuldige afweging van de terzake relevante aspecten. Gelet op de bevindingen van deze arts op de hoorzitting van
25 oktober 2001 ziet de Raad geen reden voor twijfel aan de toen getrokken conclusie dat appellants geestelijke gezondheidstoestand niet van dien aard was dat hij niet in staat was het eenvoudige routinematige schoonmaakwerk te verrichten. In reactie op de in eerste aanleg ingebrachte brieven van de GGZ Buitenamstel heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad terecht opgemerkt dat appellant eerst in november 2001 door een psychiater is gezien en dat er, gelet ook op de brief van de huisarts van 27 november 2001, ten tijde in geding nog geen sprake was van symptomen, die wezen op het bestaan van een ernstige depressie.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.