ECLI:NL:CRVB:2005:AU0514
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel korting WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten
Appellant was sinds 1973 werkzaam als onderhoudsschilder en werd per 6 februari 2003 ontslagen vanwege het ontbreken van passend werk. Vanaf 1 april 2003 ontving hij een WW-uitkering. Over de periode 7 april tot 4 mei 2003 vermeldde appellant slechts één sollicitatie op het werkbriefje en gaf aan niet te hebben gesolliciteerd vanwege geringe vraag in zijn vakgebied bij het CWI. De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende had gesolliciteerd en wees zijn beroep af.
In hoger beroep stelde appellant dat hij telefonische sollicitaties had verricht die hij niet had vermeld op het werkbriefje, waardoor hij aan de norm had voldaan. De Raad concludeerde echter dat deze telefonische sollicitaties onvoldoende aantoonbaar waren en dat appellant feitelijk slechts één sollicitatie had gedaan. Tevens oordeelde de Raad dat de opgelegde maatregel van 20% korting gedurende 16 weken niet in strijd was met de WW en dat een evenredigheidstoets niet van toepassing is.
De Raad benadrukte dat appellant, ondanks het ontbreken van vacatures bij het CWI, geacht werd op andere manieren actief te zoeken naar passend werk, bijvoorbeeld via uitzendbureaus of open sollicitaties. Verminderde verwijtbaarheid werd niet aangenomen gezien de omstandigheden en de ontvangen controlevoorschriften. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De maatregel van 20% korting gedurende 16 weken op de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt bevestigd.