ECLI:NL:CRVB:2005:AU0553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens ZZA-vergoeding
Appellante ontvangt sinds 1998 een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Sinds 2001 woont zij samen met haar partner die een vergoeding ontvangt van het COA in het kader van het zelfzorgarrangement (ZZA). Gedaagde heeft bij besluit van 4 december 2002 het recht op bijstand van appellante herzien door deze vergoeding alsnog als inkomen mee te nemen en heeft de te veel ontvangen bijstand over de periode van 15 januari 2001 tot en met 30 juni 2002 teruggevorderd.
Appellante voerde aan dat zij door uitlatingen van haar toenmalige bijstandsconsulente mocht vertrouwen dat de vergoeding geen gevolgen zou hebben voor haar uitkering. De Raad oordeelde echter dat er geen ondubbelzinnige mededeling was gedaan die het vertrouwensbeginsel zou rechtvaardigen. Daardoor is de herziening en terugvordering terecht toegepast conform artikel 50 en Pro artikel 69 van Pro de Abw.
De Raad vond geen dringende redenen om af te zien van herziening of terugvordering en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Breda. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee is het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens de COA-vergoeding en wijst het beroep af.