ECLI:NL:CRVB:2005:AU0553

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5560 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 AbwArt. 69 AbwArt. 81 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens ZZA-vergoeding

Appellante ontvangt sinds 1998 een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Sinds 2001 woont zij samen met haar partner die een vergoeding ontvangt van het COA in het kader van het zelfzorgarrangement (ZZA). Gedaagde heeft bij besluit van 4 december 2002 het recht op bijstand van appellante herzien door deze vergoeding alsnog als inkomen mee te nemen en heeft de te veel ontvangen bijstand over de periode van 15 januari 2001 tot en met 30 juni 2002 teruggevorderd.

Appellante voerde aan dat zij door uitlatingen van haar toenmalige bijstandsconsulente mocht vertrouwen dat de vergoeding geen gevolgen zou hebben voor haar uitkering. De Raad oordeelde echter dat er geen ondubbelzinnige mededeling was gedaan die het vertrouwensbeginsel zou rechtvaardigen. Daardoor is de herziening en terugvordering terecht toegepast conform artikel 50 en Pro artikel 69 van Pro de Abw.

De Raad vond geen dringende redenen om af te zien van herziening of terugvordering en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Breda. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee is het beroep van appellante ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens de COA-vergoeding en wijst het beroep af.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/5560 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A. Scheurs hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 oktober 2003, reg.nr. 03/1045 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 juni 2005, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontvangt sinds 3 juli 1998 van gedaagde een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Sinds begin 2001 voert appellante met [naam partner] een gezamenlijke huishouding. Deze laatste ontvangt een vergoeding van het COA in het kader van het zelfzorgarrangement (ZZA). Bij besluit van
4 december 2002 heeft gedaagde het recht van appellante op bijstand over de periode van 15 januari 2001 tot en met 30 juni 2002 herzien in die zin, dat over die periode alsnog rekening is gehouden met de hiervoor genoemde inkomsten. Tevens heeft gedaagde de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van
€ 6.170,55.
Bij besluit van 24 april 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 24 april 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is, evenals in eerste aanleg, met name betoogd dat zij - door uitlatingen aan de zijde van haar toenmalige bijstandsconsulente - ervan uit mocht gaan dat de in geding zijnde vergoeding geen gevolgen voor de hoogte van haar uitkering zou hebben.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast, dat de vergoeding in het kader van het ZZA over de in geding zijnde periode niet is betrokken bij de bepaling van de omvang van het recht op uitkering van appellante. Dat door of namens gedaagde aan appellante uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd is meegedeeld, dat deze vergoeding geen gevolgen heeft voor de hoogte van haar uitkering, is de Raad niet kunnen blijken. Het beroep op het vertrouwens- beginsel slaagt derhalve niet.
Indien - onder toepassing van artikel 50, eerste lid, van de Abw - rekening wordt gehouden met de ZZA-vergoeding, leidt dit tot de conclusie dat aan appellante over de in geding zijnde periode tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend. Gedaagde was dan ook ingevolge artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw gehouden tot herziening van het recht op bijstand van appellante over te gaan. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde bevoegd was geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien, is de Raad niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw is voldaan, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de teveel verleende bijstand over te gaan. Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien zijn de Raad evenmin gebleken.
In het voorgaande ligt besloten dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2005.
(get.) C. van Viegen.
(get.) P.N. Rijnsewijn.