ECLI:NL:CRVB:2005:AU0556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid
Appellante had een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering, maar deze werd afgewezen omdat zij niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Gedaagde had een bedrag van €861,88 teruggevorderd via verrekening met een toegekende Ziektewetuitkering. Appellante gaf op het aanvraagformulier aan wegens arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar te zijn voor werk en verklaarde tijdens de hoorzitting niet in staat te zijn om werk te verrichten. Tevens had zij na 18 juni 2002 geen sollicitaties verricht.
De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en de Raad onderschreef dit oordeel. Argumenten van appellante over de onderzoeks- en mededelingsplicht van gedaagde en verwijzingen naar Europese verdragen werden door de Raad niet gevolgd vanwege procesorde. Ook de stelling dat zij bereid was werk te aanvaarden indien rekening werd gehouden met haar klachten, kon niet worden onderbouwd met het dossier en de hoorzitting.
De Raad concludeerde dat appellante niet voldeed aan de in artikel 16, eerste lid, van de WW gestelde voorwaarden omtrent beschikbaarheid voor arbeid en bevestigde daarom de afwijzing van de WW-uitkering en de terugvordering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid wordt bevestigd.