Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU0559

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/95 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1 Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte urenWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het gemiddeld aantal arbeidsuren voor WW-uitkering na wijziging arbeidsovereenkomst en ziekte

Gedaagde was sinds 1998 werkzaam bij haar werkgever met een arbeidsovereenkomst die varieerde tussen 24 en 32 uur per week. Vanaf januari 2001 werkte zij 32 uur per week, maar in september 2001 is zij in overleg met haar werkgever overgestapt naar 24 uur per week vanwege een makelaarsopleiding, waarbij werd afgesproken dat de werkgever en gedaagde elk een halve studiedag zouden betalen. Feitelijk bleef het salaris tot december 2001 gebaseerd op 32 uur.

In januari 2002 heeft de werkgever het dienstverband beëindigd en het salaris aangepast naar 28 uur per week. Gedaagde meldde zich ziek en ontving vanaf november 2002 een WW-uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren (gaa) van 28 uur per week. Gedaagde betwistte dit en stelde dat het gaa op 32 uur moest worden vastgesteld.

De rechtbank gaf gedaagde gelijk, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak. De Raad stelde vast dat voor de berekening van het gaa het aantal uren dat gedaagde zonder te werken loon heeft ontvangen (4 uur studie) moet worden opgeteld bij de daadwerkelijk gewerkte uren (24 uur). Daarmee is het gaa van 28 uur per week correct vastgesteld. Ook een eventuele eenzijdige salarisverlaging door de werkgever werd niet aanvaard als grond voor een hoger gaa, mede omdat gedaagde geen loonvordering heeft ingesteld.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Uitkomst: Het gemiddeld aantal arbeidsuren voor de WW-uitkering is terecht vastgesteld op 28 uur per week.

Uitspraak

04/95 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem onder nummer Awb 03 – 621 WW op
24 november 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 juni 2005, waar appellant is verschenen bij mr. H. van Buren, medewerker bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Gedaagde is in persoon verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Gedaagde, geboren in 1956, was sinds 1 september 1998 in dienst bij [naam werkgever] (hierna: werkgever). Aanvankelijk was de omvang van het dienstverband bepaald op ten minste 24 uur per week met een maximum van 32 uur per week. Per 1 januari 2001 werkte appellante 32 uur per week.
In september 2001 is gedaagde begonnen met een makelaarsopleiding. Met het oog daarop is gedaagde in overleg met de werkgever 24 uur per week gaan werken. Met betrekking tot het salaris heeft gedaagde voorgesteld dat zij en de werkgever ieder een halve dag voor hun rekening zouden nemen. Volgens gedaagde vond de werkgever het niet nodig dat gedaagde een deel van haar salaris inleverde. Uit de studie-overeenkomst d.d. 14 november 2001 blijkt niet van invulling van de arbeidsuren noch van een salarisafspraak. Feitelijk heeft de werkgever het salaris tot en met de maand december 2001 betaald naar een werkweek van 32 uur.
Op 22 januari 2002 heeft de werkgever gedaagde telefonisch te kennen gegeven dat het voornemen bestond om het dienstverband met haar te beëindigen. In een gesprek op 25 januari 2002 heeft de werkgever dat bevestigd en toegelicht. Volgens gedaagde heeft de werkgever toen meegedeeld alsnog van gedaagdes aanbod om een halve studiedag voor haar rekening te nemen, gebruik te zullen maken. Gedaagde heeft zich na dat gesprek ziek gemeld. Het salaris is vanaf de maand januari 2002 betaald naar 28 uur.
Gedaagde en haar werkgever hebben vervolgens een aantal procedures gevoerd die er uiteindelijk toe hebben geleid dat de werkgever gedaagde, na verkregen ontslagvergunning, per 1 november 2002 heeft ontslagen. In die procedures is de afspraak omtrent de betaling van de studiedag zijdelings aan de orde gekomen; de werkgever heeft daar bestreden dat was overeengekomen dat hij een hele studiedag zou betalen.
Op 14 oktober 2002 heeft gedaagde een WW-uitkering aangevraagd. Die uitkering is haar toegekend per 1 november 2002, waarbij de uitkering is gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren (gaa) van 28 per week. De daartegen gerichte bezwaren van gedaagde, die er op neer komen dat het gaa op 32 uur gesteld moet worden, heeft appellant bij het thans bestreden besluit van 13 maart 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen door gedaagde ingestelde beroep gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank moet voor het bepalen van het gaa aansluiting worden gezocht bij het gebruikelijke arbeidspatroon voorafgaand aan de ziekte. Daarbij is volgens de rechtbank niet van belang hoeveel salaris is uitbetaald, maar hoeveel uren gedaagde zou hebben gewerkt indien zij niet ziek zou zijn geworden.
Appellant heeft dit oordeel bestreden onder verwijzing naar artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i alsmede onder a, van de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren (hierna: Regeling). Volgens appellant staat vast dat gedaagde, indien zij niet ziek zou zijn geworden, 24 uur per week zou hebben gewerkt en dat de werkgever daarnaast slechts een loon voor 4 uur studie per week heeft betaald. Dat betekent volgens appellant dat slechts 28 uur in aanmerking genomen kunnen worden.
Gedaagde heeft dit betwist en heeft er op gewezen dat het er door de drukte op het werk niet van is gekomen dat zij de vrije studiedag (volledig) kon invullen en dat het salaris op basis van 32 uur hetzelfde bleef.
De Raad overweegt als volgt.
Vaststaat dat tussen gedaagde en haar werkgever laatstelijk een werkweek van 24 uur was overeengekomen. Van belang voor de toepassing van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling is het aantal uren dat gedaagde zonder te werken loon heeft ontvangen. Dat aantal is vanaf de maand januari 2002 4 uur per week. Voor gelijkstelling met gewerkte uren komen in aanmerking het aantal uren per week dat gedaagde in de 26 weken voorafgaand aan 1 november 2002 niet heeft gewerkt wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid, dat wil zeggen 24 uur, vermeerderd met de uren waarvoor gedaagde zonder te werken loon heeft ontvangen, in casu 4 uur. Bij het bestreden besluit heeft appellant derhalve terecht het gaa op
28 uur per week gesteld.
Naar aanleiding van hetgeen gedaagde heeft aangevoerd, merkt de Raad nog op dat ook al zou de werkgever eenzijdig en zonder instemming van gedaagde het salaris per 1 januari 2002 hebben verlaagd, geconstateerd moet worden dat gedaagde uiteindelijk na de afwijzing van haar loonvordering bij vonnis in voorlopige voorziening geen loonvordering tegen de werkgever heeft ingesteld.
Het hoger beroep slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep bij de rechtbank dient alsnog ongegrond te worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.