ECLI:NL:CRVB:2005:AU0935

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6434 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:63 AwbArt. 8:75 AwbWerkloosheidswetWet inschakeling werkzoekendenGrondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid en passendheid aangeboden functies

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarin haar WW-uitkering geheel werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De kern van het geschil betrof de vraag of de door de werkgever aangeboden functies passend waren, nadat was vastgesteld dat appellante niet langer arbeidsongeschikt was.

De Raad heeft het verzoek tot het oproepen van een getuige afgewezen omdat deze niet zou bijdragen aan de beoordeling. De feiten zijn onbetwist en vormen het uitgangspunt. De Raad oordeelt dat appellante onvoldoende medisch bewijs heeft geleverd om aan te tonen dat zij de aangeboden functies niet kon verrichten.

Hoewel appellante ook stelde dat de functies om andere dan medische redenen niet passend waren, onder meer vanwege haar HBO-diploma, volgt de Raad dit niet. De functie van medewerker randgroepjongeren wordt passend geacht gezien haar eerdere werkzaamheden. Het beroep op schending van de Awb, Grondwet en verdragen wordt wegens onvoldoende onderbouwing verworpen.

De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid; de aangeboden functies zijn passend.

Uitspraak

03/6434 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op bij beroepschrift, met diverse aanvullingen, aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 11 december 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, nr. Awb 02/2369 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het beroepschrift is daarna nog diverse malen aangevuld door appellantes gemachtigde, mr. G.C. Hendriks, werkzaam bij Bureau JMD te Den Bosch.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Hierop is namens appellante gereageerd.
Voorafgaand aan de behandeling ter zitting is de Raad namens appellante bij brief van 20 mei 2005 verzocht om een getuige op te roepen.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2005, waar appellante in persoon is verschenen met bijstand van mr. Hendriks, voornoemd, en waar gedaagde, met bericht, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad zal eerst ingaan op het namens appellante gedane verzoek tot oproeping van een getuige. De Raad heeft onder toepassing van artikel 8:63 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het oproepen van de door appellante opgegeven getuige afgezien omdat de Raad van oordeel is dat deze getuige redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de onderhavige zaak.
De feiten, welke in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
De Raad overweegt als volgt over hetgeen partijen verdeeld houdt.
Appellante heeft op 28 mei 2002 een WW-uitkering aangevraagd. Gedaagde heeft bij besluit van 10 juni 2002, gehandhaafd bij besluit van 6 september 2002, het bestreden besluit, deze uitkering blijvend geheel geweigerd omdat appellante verwijtbaar werkloos is geworden, nu zij had moeten begrijpen dat het niet aanvaarden van één van de door de [naam detacheringsbureau], door wie zij in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden werd gedetacheerd, aangeboden functies tot beëindiging van de dienstbetrekking zou kunnen leiden.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of, nadat in het kader van de arbeidsongeschikt-heidsbeoordeling WAO was geoordeeld dat per einde wachttijd (4 maart 2002) ten aanzien van appellante geen sprake meer was van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebrek en dat appellante in staat werd geacht tot het verrichten van de maatgevende arbeid van sociaal cultureel werkster, de door de werkgever aan appellante aangeboden functies als passend kunnen worden aangemerkt. Appellante stelt zich daarbij op het standpunt dat die functies op medische gronden niet passend voor haar waren.
De Raad, zich beperkend tot dit geschilpunt, beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, in onderlinge samenhang bezien, is de Raad van oordeel dat er ook in hoger beroep geen overtuigend medisch bewijs van de zijde van appellante naar voren is gebracht op basis waarvan zou moeten worden aangenomen dat zij ten tijde in geding niet in staat was de genoemde functies te verrichten.
Bij brief van 30 mei 2005 heeft appellante, onder verwijzing naar de richtlijn passende arbeid 1996, gesteld dat de aangeboden functies ook om andere dan medische redenen niet passend waren. Zij wijst er daarbij op dat zij een HBO-diploma heeft. De Raad kan appellante daarin niet volgen. Daarlatende de betekenis van die richtlijn in het geval van appellante, moet in elk geval de aangeboden functie van medewerker randgroepjongeren als passend worden beschouwd, gelet op de functie die zij laatstelijk op detacheringsbasis bij de [naam stichting] vervulde, door haar aangeduid als medewerkster vrijwilligerscentrale. In verband met het late tijdstip in de procedure waarop namens appellante dit standpunt wordt ingenomen, volstaat de Raad met deze motivering.
De Raad gaat wegens onvoldoende onderbouwing tevens voorbij aan appellantes beroep op schending van de Awb, de Grondwet, het EVRM en andere verdragen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. B.M. van Dun en mr. H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) S. l’Ami.