ECLI:NL:CRVB:2005:AU0938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- R.M. van Male
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding niet gerechtvaardigd
Appellant en zijn partner ontvingen bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Na een fraudeonderzoek werd vastgesteld dat de partner een gezamenlijke huishouding met appellant voerde, wat niet was gemeld. Gedaagde besloot daarop de bijstand over de periode 1 augustus 1997 tot en met 30 september 2000 in te trekken en terug te vorderen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant deels gegrond voor het tijdvak 1 augustus 1997 tot en met 31 december 1998, maar ongegrond voor het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 30 september 2000. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat voor het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 30 september 2000 geen gezamenlijke huishouding kan worden aangenomen. Hierdoor is de medeterugvordering op grond van artikel 84, tweede lid, Abw niet gerechtvaardigd. De Raad vernietigt het besluit van 9 augustus 2002 en herroept het besluit van 23 augustus 2001. Tevens veroordeelt zij gedaagde in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering en intrekking van bijstand wordt herroepen voor het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 30 september 2000.