ECLI:NL:CRVB:2005:AU0988
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding bij aanvraag bijstandsuitkering
Gedaagde, sinds 1997 alleenstaande ouder met bijstandsuitkering, werd door appellant beschuldigd van het vormen van een gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot, wat leidde tot beëindiging van haar bijstandsuitkering. Na een onderzoek van de sociale recherche concludeerde appellant dat zij samenwoonden, waarop de bijstand werd stopgezet en bezwaar werd afgewezen.
Gedaagde diende een nieuwe aanvraag in, welke eveneens werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en beval appellant nieuwe besluiten te nemen. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat er onvoldoende objectieve feiten waren om te spreken van een gezamenlijk hoofdverblijf en daarmee een gezamenlijke huishouding. Het enkele feit dat de ex-echtgenoot soms in het huis verbleef, zijn auto in de buurt stond en dat gedaagde hem binnenliet, was onvoldoende. Ook het feit dat gedaagde nog de naam van haar ex-echtgenoot droeg, was niet doorslaggevend.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten van gedaagde. Het beroep van appellant werd afgewezen, waarmee de afwijzing van de bijstandsaanvraag stand hield.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden wordt bevestigd.