ECLI:NL:CRVB:2005:AU1248

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6154 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens niet tijdige betaling griffierecht

Opposant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Opposant reageerde met een faxbericht waarin hij nadere informatie gaf en aangaf de Raad nader te berichten zodra er nieuws was. De Raad gaf hierop geen reactie.

De Raad overwoog dat opposant niet kan worden tegengeworpen dat het griffierecht niet vóór de uiterste betaaldatum was voldaan, mede omdat het rappel van 24 februari 2005 geen nieuwe dreiging met niet-ontvankelijkverklaring bevatte. Hierdoor werd het verzet gegrond verklaard en verviel de eerdere niet-ontvankelijkverklaring.

De zaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de niet-ontvankelijkverklaring. Opposant was niet aanwezig bij de zitting van 2 augustus 2005, en geopposeerde was niet vertegenwoordigd. De uitspraak is gedaan op 9 augustus 2005 door de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet tijdige betaling van griffierecht is gegrond verklaard en het hoger beroep wordt ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

04/6154 WWB
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 26 april 2005 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 2 november 2004, reg.nr. 04/584 WWB, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 2 augustus 2005, waar opposant, zoals aangekondigd, niet is verschenen. Geopposeerde heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 26 april 2005 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van Pro de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 102,-- niet binnen de in de brief van 16 februari 2005 gestelde termijn tot uiterlijk 28 februari 2005 is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Uit de gedingstukken is gebleken dat na de verzending van de brief van 16 februari 2005 opposant in de onderhavige zaak (nogmaals) is herinnerd aan de betaling van het griffierecht in dit hoger beroep met een brief van de griffier van de Raad van 24 februari 2005, waarin wordt verwezen naar een eerdere op de betaling van dat griffierecht betrekking hebbend rappel. Dit rappel bevat geen (nieuwe) dreiging met niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en eindigt met de volgende zin:
"Mocht verdere vertraging onvermijdelijk zijn, dan verzoek ik u mij daarvan
mededeling te doen.".
Opposant heeft op de brief van 24 februari 2005 gereageerd met een faxbericht van 25 februari 2005, kenmerk 04/6154 WWB, waarin hij inzake betaling van griffierecht aan de rechtbank Zutphen nadere informatie verstrekt en tevens meedeelt dat hij de Raad per omgaande nader zal berichten in deze zaak zodra er nieuwe berichten zijn. Van de zijde van de Raad is hierop geen reactie gegeven.
Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden is de Raad van oordeel dat in de onderhavige zaak opposant niet kan worden tegengeworpen dat hij het griffierecht niet vóór 28 februari 2005 heeft betaald.
Het verzet moet dan ook met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid onder c, van de Awb gegrond worden verklaard. Dit brengt, gelet op artikel 8:55, zevende lid, van de Awb, mee dat de uitspraak waartegen verzet is gedaan, vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) S.W.H. Peeters.