ECLI:NL:CRVB:2005:AU1597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid vaststelling arbeidsurenverlies voor WW-uitkering na intrekking WAO
Appellant ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van 25-35%, met een urenbeperking van 8 uur per week. Vanaf april 2000 werkte hij 32 uur per week, waarna de WAO-uitkering werd ingetrokken omdat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% was. In 2002 werd appellant ontslagen vanwege een reorganisatie en kreeg hij een WW-uitkering toegekend op basis van een arbeidsurenverlies van 30,40 uur per week.
De rechtbank stelde vast dat appellant in de referteperiode van 1 oktober 2001 tot en met 31 maart 2002 daadwerkelijk 32 uur per week werkte, wat exclusief arbeidstijdverkorting neerkomt op 30,40 uur. Er was geen bewijs van ziekte of arbeidsongeschiktheid die tot niet-gewerkte uren leidde. De rechtbank oordeelde dat niet-gewerkte uren niet gelijkgesteld konden worden aan gewerkte uren volgens de Regeling gelijkstelling.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege arbeidsongeschiktheid feitelijk minder werkte en dat het arbeidspatroon op 40 uur per week had moeten worden vastgesteld. De Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat het arbeidsurenverlies juist was vastgesteld op basis van de feitelijk gewerkte uren. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het arbeidsurenverlies voor de WW-uitkering terecht is vastgesteld op 30,40 uur per week.