ECLI:NL:CRVB:2005:AU1600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens eigen ontslag zonder gegronde reden
Appellant had een WW-uitkering aangevraagd, maar deze werd geweigerd omdat hij per 1 juni 2003 ontslag had genomen zonder dat er zodanige bezwaren waren dat voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd. De rechtbank Utrecht had dit besluit op 15 juli 2004 bevestigd.
Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep en stelde dat er wel redenen waren om het dienstverband niet voort te zetten, maar kon hiervoor geen bewijs aanvoeren. De Raad heeft de feiten, waaronder verklaringen van appellant zelf, het aanvraagformulier en verklaringen van de leidinggevende, beoordeeld en kwam tot dezelfde conclusie als de rechtbank.
De Raad oordeelde dat appellant ontslag had genomen zonder gegronde reden en bevestigde daarom het besluit van 18 september 2003, waarbij de WW-uitkering blijvend geheel werd geweigerd. De Raad zag geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd omdat appellant zonder gegronde reden ontslag heeft genomen.