ECLI:NL:CRVB:2005:AU1815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens verstreken termijn van 26 weken
Appellant was werkzaam bij ZH Transporten op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 17 april 2002 eindigde. Na het faillissement van de werkgever vroeg appellant een WW-uitkering aan voor achterstallige loonbetalingen. Deze aanvraag werd afgewezen omdat de wettelijke termijn van 26 weken voor het indienen van een aanvraag was verstreken.
Appellant voerde aan dat hij in de veronderstelling verkeerde dat ZH Scheveningen zijn werkgever was, mede doordat loonbetalingen van andere bedrijven kwamen en er een organisatorische wijziging was. Hij stelde dat dit een bijzonder geval vormde waardoor van de termijnregel afgeweken moest worden.
De Raad oordeelde dat ZH Transporten de werkgever bleef en dat appellant tijdig had kunnen handelen. De omstandigheden rechtvaardigen geen afwijking van de termijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Proceskosten werden niet toegewezen. De Raad benadrukte dat onduidelijkheid over de werkgever appellant niet vrijstelde van tijdige actie om loonbetalingen te verhalen.
Uitkomst: De aanvraag om WW-uitkering wordt afgewezen omdat de wettelijke termijn van 26 weken is verstreken en er geen bijzondere omstandigheden zijn.