ECLI:NL:CRVB:2005:AU1936
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontzegging kinderbijslag wegens niet-rechtmatig verblijf volgens koppelingswetgeving
Appellant, een Turkse onderdaan die sinds 1989 in Nederland verblijft, werd kinderbijslag geweigerd vanaf het derde kwartaal van 1998 vanwege zijn verblijfsstatus. Na een eerdere uitspraak van de Raad in 2001 werd kinderbijslag alsnog toegekend over dat kwartaal en volgende, maar vanaf het eerste kwartaal van 2002 werd het recht op kinderbijslag opnieuw ontzegd omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef.
Appellant voerde aan dat hij in afwachting van een definitief besluit op zijn verblijfsvergunning in Nederland mocht blijven en dat zijn verblijfsrechtelijke positie niet relevant was voor het beroep op het Besluit 3/80. De Raad stelde vast dat appellant op de peildatum niet rechtmatig verbleef en daardoor niet verzekerd was volgens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De Raad oordeelde dat de toepassing van de koppelingswetgeving niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in het Besluit 3/80, ook niet voor Turkse onderdanen zonder verblijfsrecht. De weigering van kinderbijslag was daarom op goede gronden gebaseerd en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ontzegging van kinderbijslag wegens niet-rechtmatig verblijf op de peildatum.