ECLI:NL:CRVB:2005:AU1947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Appellant, werkzaam als interim-manager in diverse periodes, vroeg WW-uitkeringen aan voor verschillende niet-werkzame perioden. Het UWV wees de aanvragen af omdat deze te laat waren ingediend en er geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 23, tweede volzin, van de WW. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant grotendeels ongegrond, maar vernietigde een deel van het besluit over de periode V en VI.
Appellant stelde hoger beroep in tegen het oordeel dat geen bijzonder geval bestond voor de perioden I en II en tegen de afwijzing van proceskostenvergoeding. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat geen bijzonder geval aanwezig was, mede vanwege de bewustheid van partijen over de verzekeringsplicht en de noodzaak tijdig een aanvraag in te dienen.
Wel oordeelde de Raad dat appellant recht had op vergoeding van proceskosten voor reiskosten en verletkosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Raad vernietigde het vonnis voor zover het naliet het UWV te veroordelen in deze kosten en veroordeelde het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten.
De uitspraak benadrukt de restrictieve uitleg van het begrip bijzonder geval binnen de WW en bevestigt de noodzaak van tijdige aanvraag voor WW-uitkeringen. Het hoger beroep werd daarmee deels gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt bevestigd voor het oordeel over het bijzonder geval, maar het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.