ECLI:NL:CRVB:2005:AU1956
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij hoger beroep over aflossingsbedrag bij bijstandsuitkering
Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake het vastgestelde aflossingsbedrag van een bijstandsuitkering dat gedaagde ten onrechte teveel heeft ontvangen. Het oorspronkelijke aflossingsbedrag werd verhoogd van €45 naar €285,70 per maand, wat door de rechtbank werd vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel en de onevenredige financiële last voor gedaagde.
Verzoeker vroeg vervolgens om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht voor een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat de bodemprocedure is afgerond. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen spoedeisend belang was om de voorlopige voorziening toe te kennen, mede omdat de overwegingen van de rechtbank specifiek zijn voor deze zaak en niet gelden voor andere lopende zaken.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waarmee de uitspraak van de rechtbank voorlopig van kracht blijft. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.