ECLI:NL:CRVB:2005:AU1974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant trad op 1 september 2001 in dienst bij Zuid-Limburgse Staalbouwers B.V. en zijn arbeidsovereenkomst werd per 15 april 2002 ontbonden na een geschil over werkzaamheden. Appellant vroeg daarop een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Deze Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht naar de feitelijke grondslag van de verwijtbaarheid en dat de dienstbetrekking niet voorzienbaar zou eindigen. Ook ontbrak het aan concrete aanwijzingen dat appellant wist of had moeten weten dat ontslag zou volgen.
De Centrale Raad vernietigde zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van het UWV en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen.