ECLI:NL:CRVB:2005:AU2093
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na niet verschijnen op werk en bedrijfsarts
Betrokkene was werkzaam bij Van Rhee’s Handelsmaatschappij B.V. tot zijn ontslag per 5 oktober 2001. Na het aanvragen van een WW-uitkering weigerde het UWV deze volledig wegens verwijtbare werkloosheid, gebaseerd op overtredingen in 1997 en 1998, hoog ziekteverzuim en het niet verschijnen bij de bedrijfsarts.
De rechtbank verklaarde de weigering onterecht en oordeelde dat betrokkene niet verwijtbaar werkloos was geworden, ondanks het niet verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts op 7 juni 2001. Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat betrokkene redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag kon leiden.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden. Het eerdere besluit tot volledige weigering werd vervangen door een gedeeltelijke weigering van de WW-uitkering, waarbij het uitkeringspercentage werd verlaagd van 70% naar 35% voor een periode van 26 weken.
Daarnaast werd het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond verklaard en werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt gedeeltelijk geweigerd voor 26 weken wegens verwijtbare werkloosheid.