ECLI:NL:CRVB:2005:AU2181

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6367 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het besluit tot voortzetting WAO-uitkering met 25-35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om zijn WAO-uitkering voort te zetten met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank Roermond had eerder het bezwaar tegen dit besluit vernietigd omdat het niet gebaseerd was op een arbeidskundig onderzoek. Na afronding van dit onderzoek en aanvullende medische rapportage heeft het UWV het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep toetst of dit bestreden besluit in stand kan blijven.

De Raad stelt vast dat de medische grondslag van het besluit niet meer in geschil is, aangezien partijen zich hebben berust in het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling ziet de Raad geen reden om het besluit onjuist te achten, omdat appellant volgens het onderzoek de geselecteerde functies kan verrichten.

De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot voortzetting van de WAO-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/6367 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. G. van Buuren, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 november 2003, reg.nr. 03/933 WAO K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 juli 2005, waar appellant noch zijn gemachtigde, met voorafgaand bericht, zijn verschenen en waar namens gedaagde is verschenen J.G.M. Huijs, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 15 januari 2002 heeft gedaagde de aan appellant verstrekte uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% ongewijzigd voortgezet.
Bij uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 februari 2003, reg.nr. 02/723 WAO K1, heeft de rechtbank het besluit van 5 juni 2002, waarbij gedaagde het bezwaar gericht tegen het hiervoor genoemde besluit ongegrond heeft verklaard, vernietigd en het beroep gegrond verklaard daar het besluit ten onrechte niet ook op een arbeidskundig onderzoek was gebaseerd.
Vervolgens heeft gedaagde, na afronding van het arbeidskundig onderzoek en een aanvullende medische rapportage met betrekking tot de belastbaarheid van de geduide functies, bij besluit van 11 juli 2003, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar gericht tegen het besluit van 15 januari 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft hierbij voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verwezen naar haar uitspraak van 5 februari 2003, waarin zij expliciet heeft geoordeeld dat de bestreden beoordeling berust op een juiste, althans toereikende medische grondslag. Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank voorts overwogen dat er geen reden is te concluderen dat de arbeidskundige beoordeling de rechterlijke toets niet kan doorstaan, zodat het bestreden besluit voor juist moet worden gehouden.
Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Hetgeen gemachtigde van appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
In de lijn van zijn uitspraak van 23 juni 2000, LJ nummer ZB 8889 overweegt de Raad dat, nu de rechtbank in haar uitspraak van 5 februari 2003 een expliciet oordeel heeft gegeven omtrent de medische grondslag van de bestreden beoordeling en partijen in deze uitspraak hebben berust, de medische grondslag van het bestreden besluit niet meer in geding is.
Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad, onder verwijzing naar en met onderschrijving van hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, geen aanleiding te oordelen dat, uitgaande van de juistheid van de door gedaagde aangenomen beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid, appellant de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten.
De Raad komt aldus tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
Gw